is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de toepassing van het theorema van Fourier in de theorie der buigingsverschijnselen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin u' positief, en

■2 1 /2 _ 4 ^

U + U — -p- ,

en dus:

\ 4 n'1 2

p = V 17

Te zaraen geven (36) en (37):

. 1

sm ~ - ii Pf u'" = 2 a — . cos (2 TT -7p — «) c°s(a8)

7T *t \ 1 /

2 7r

Deze uitdrukking gaat alleen door voor ,u < -r-; voor

grootere waarden van :u zou u' onbestaanbaar worden. Wij zien echter, zooals reeds uiteengezet is, af van de grootere waarden van u, en stellen dus voor de totale evenwichtsverstoring in een punt achter het scherm:

, . 1

sm -p- u p .

„ = - I * cos [2 Tl — u' 2) COS tl X cl ,u.

71 .'o ,lt \ 1 )

Eene volledige discussie over deze integraal zou lastig en omslachtig zijn; wij hebben die ook niet noodig. Voor z — U hebben wij:

• 1

o .Y sin , ii ^

o = — COS 2 TT -7,,- / COS ,u -T cl it,

TT i Jo

en dit wordt blijkbaar = a cos 2 -rr j, achter de spleet tusschen

C en D (Fig. 1, waarin CD de loodrechte doorsnede deispleet met het vlak van teekening voorstelt), en = 0 links van C en rechts van D.