Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Graphisch kan men dit aldus voorstellen. Wanneer men de sinusoïdes

1

p sin — u p " — — • — cos u x d u. . . . (39)

met elkander samenstelt, verkrijgt men de lijn, bestaande uit de deel en AC, C'D', DB (C C' = D D' = 1).

Kiezen wij thans een vlak V evenwijdig aan het scherm, op een bepaalden afstand = z daarachter gelegen. Om hier q te vinden hebben wij al de termen

/ 2a sin\*P , t ,

n jj. • ~~— cos |2 n j, —,u' zj cos uxd u. (40)

bij elkander op te tellen. Deze termen onderscheiden zich

van (T (39) door den factor a cos (2 tt ~ — u' z\. Ware nu

deze factor voor alle in aanmerking komende waarden van u even groot, dan zou men voor de lichtbeweging in V verkrijgen de som der termen <t (39) vermenigvuldigd met dezen constanten factor. Men zou dan tusschen E en F eene lichtbeweging verkrijgen, maar links van E en rechts

van F, d. i. voor x < — -A-p en x > -f weder niets,

omdat de sommeering van de termen * (39) voor deze waarden van x nul oplevert; en in dat geval zou men dus volkomen de beperking der lichtbeweging tot de ruimte hebben, die de stralen bij rechtlijnige voortplanting kunnen bereiken. Ten naaste bij zal men ditzelfde echter ook nog

hebben, wanneer de factoren cos (2 n ^ — ,/ z\, waarmede

de verschillende termen a (39) vermenigvuldigd moeten worden, slechts weinig van elkander verschillen.

Sluiten