Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men bedekt eene glasplaat met eene laag metaal (zilver of (bij Fr.) goud); hierin trekt men dan op gelijke afstanden lijnen, die de doorschijnende gedeelten vormen. Of eindelijk — en deze roosters zijn de beste — men trekt op eene glasplaat eene reeks van zeer fijne groeven, die men doormiddel van eene verdeelmachine op gelijke afstanden van elkander met een diamant in het glas graveert; hierbij maken de groeven de ondoorschijnende en de tusschenruimten de doorschijnende gedeelten van het scherm uit.

Het ligt voor de hand, dat de verschijnselen, die men hierbij waarneemt, niet geheel zullen overeenstemmen met de theorie, welke op de onderstelling van denkbeeldige schermen gegrond is. Daarbij komt nog, dat de schermen, die in de practijk gebruikt worden, onderling ook zeer onderscheiden zijn: de lichtgolven zullen zich op eene andere wijze langs de cylindervormige metaaldraden in hetzelfde medium voortplanten dan langs de randen der groeven in glasplaten bij verandering van medium. Eene geringe ongelijkheid in de beide randen van elke groeve, kan, zooals Fraunhofer reeds heeft waargenomen, eene niet onbelangrijke wijziging in het voorkomen van het buigingsbeeld teweegbrengen.

Verder berust de tot nog toe behandelde theorie der diffractieverschijnselen op de onderstelling, dat de „ondoorschijnende" gedeelten der schermen werkelijk ondoorschijnend zijn: dit nu is wel bij de dradenschermen het geval, maar geenszins bij de glazen platen; men kan niet zeggen, dat de ingekraste groeven volstrekt geen licht doorlaten. De niet volkomen ondoorschijnende gedeelten kunnen niet zonder invloed op het buigingsbeeld zijn, en in sommige gevallen is die invloed niet onbelangrijk. Men heeft toch bij de constructie van het diffractiebeeld, afgezien van debetrekke-

Sluiten