Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor het geval van scheef invallend licht is de redeneering minder eenvoudig.

Stellen we het invallend licht weder voor door:

/ t x cos n 4- >/ cos ii 4- z cos y\ Q = a cos 2 -T f-y i }

Voor het vlak S, dat we als x ?/-vlak aannemen, wordt dit:

1 t x cos a // cos n = a cos 2 TT I ■-y . • '1.

Deze vergelijking zou den bewegingstoestand in S voorstellen, indien de rooster er niet was. Nu zijn echter dooiden invloed van den rooster de amplitudo en de phase anders, en men kan de verstoring nu voorstellen door:

„ , ( t x cos u + y cos , \ ,COs q' = ««, cos 2 tt | -jr ^ ! t, I . (62)

waarbij «, en /, grootheden zijn, die op eene ingewikkelde wijze van de verschijnselen in den rooster afhangen, maar die we niet nader kunnen bepalen. Het is echter zeker, dat dt en lt beide periodieke functiën van x zijn met de periode e.

Voor g' (62) kunnen we schrijven:

r> 7 r> / t X COS u -f- IJ COS ,i\

= aa{ cos 2 ij lt cos 2 n I 1 +

• t , ■ t ( t x cos a + 1/ cos p\ -f- aa, sin 2 ?r l, sin 2 n 1-^,- (ba)

Xu zijn, evenals a, en lx, ook a, cos 2 tt lt en «, sin 2 n l, periodieke functiën van x met de periode e. Wij kunnen elke dezer functiën volgens het theorema van Foueier ontwikkelen. Wij zullen de constante termen, die men bij deze ontwikkeling

£

verkrijgt, door Eoa en E0,3, en de deelen met de periode^, door:

Sluiten