is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de toepassing van het theorema van Fourier in de theorie der buigingsverschijnselen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vh = Eh cos (2 k" X + 'K) ■ ■ ■ ■ (,)4^

en ,

v„~E„cos + «<,) ■ ■ ■ • <65>

voorstellen.

Voeren we nu eergt de constante gedeelten van «, cos 2 n /, en «, sin 2 tt Z, in e' (63) in, dan krijgen we voor het overeenkomstige gedeelte der ontwikkeling.

/ t x cos a y cos p\ . q'o = « £o, i c06' 2 71 [Y * /

/ t X cos u Ar V cos + a E0,2 s'n - n \ 7' /. I

Op bekende wijze vindt men hiervoor:

I t x COS a ~r y V(JS 3 J \

e'ö = a E„ cos 2n[-T- 1

waarin: „

E0 = l/ ^o , TT W en tg 2 ti Lu —

Hieraan beantwoordt klaarblijkelijk een golfstelsel in de richting van het invallend licht met de amplitudo a■ E0.

De waarden (64) en (65) samenvattende verkrijgt men voor een deel van q' (63) in t algemeen.

19 l- tt x \ i t x cos U+JLS2ÏÈ\ _i_

(/;. = a Eh cos |— \- <I>n) cos 2 n ( T J )

191- tt r \ . „ /1 x cos u + ycos J \ 4* a Eh cos |—j-=-+ sin L 71 ( T >■ )'

wat men kan splitsen in twee deelen van den vorm:

| t (cos a . k \ y cos ?_L I J «„ = B„cosi, -+T)*- r N

. (66)

en [

„ i t (cos u k \ y cos p L I \ u'h = cos 2 .t | y ( y e J /. 2 j ]

en

Vi