Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NASCHRIFT.

Nog blijven vele vragen op het gebied der meteorologie onbeantwoord; eenige der karakteristiekste willen wij echter nog tot slot behandelen.

Hoe dikwijls worden niet door het publiek verstrekkende voorspellingen gedaan op grond van aankomst of vertrek van trekvogels, als zwaluwen, ooievaars enz., of naar aanleiding van het verschijnen van bruinvisschen aan onze kusten, in de zeegaten, bij de dijken, soms zelfs tot in de havens en in de rivieren.

Worden vroeg in het voorjaar troepen zwaluwen gezien, die in Noordelijke richting over ons heen vliegen, dan voorspelt men een vroegtijdige lente of zomer.

Verlaten deze zwaluwen ons weder vroeg in het najaar, dan volgt een vroege en strenge winter.

Zweven de zwaluwen hoog in de lucht, dan voorspelt men warm weer met Zuidelijken wind; vliegen ze daarentegen laag bij den grond, dan krijgen we koude en Noordelijke winden, zoo zegt men.

Men promoveert dus een zwaluw tot weerprofeet.

We vragen ons nu af: waarom verschijnen toch de zwaluwen nu eens vroeg, dan weer laat, waarom verlaten zij ons het eene jaar eerder dan het andere, waarom zweven zij nu eens hoog in de lucht, dan weer laag bij den grond?

Zeker niet, omdat ze beter wreerprofeten zijn dan wij.

Neen, we moeten de oorzaak niet zoeken in de toekomst, maar in het verleden.

Als de zwaluwen vroeg komen, is dit alleen een bewijs, dat zij in de streken, waar zij den winter doorbrachten, geen voldoend voedsel meer konden vinden; gebrek noodzaakt ze tot vertrek.

Is nu onze zomer ongewoon koud, dan zullen de insecten,

Sluiten