Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer de barometerverschillen tusschen ons en andere plaatsen klein zijn, is er weinig wind.

Staan de barometers nu ook overal betrekkelijk laag, dan heeft men bijna zonder uitzondering mist, nevel, motregen, of ook wel sneeuw, die alle een grooten invloed op ons lichaamsgestel uitoefenen.

Wanneer wij b. v. in den winter een temperatuur hebben van 26° Fahrenheit, dat is 6 graden onder het vriespunt, dan gevoelen wij ons niet zoo koud, ja zelfs prettiger dan wanneer de thermometer op ;38° staat, dus 6 graden boven het vriespunt, met mistige lucht of motregen.

Als het vee in de weide loeit en blaat, zegt men: „wij krijgen onweer."

Hun loeien en blaten heeft geen andere oorzaak, dan dat het benauwend, drukkend warm is.

Ook zij willen zich uiten, omdat zij het benauwd hebben; vandaar hun klagend geluid, alsof ze tot ons om hulp roepen, wat ze misschien werkelijk doen ook.

Dat zij in dergelijke omstandigheden het grazen staken en hun koppen moedeloos neerbuigen, is dus evengoed verklaarbaar, alsdat wij ons dan zelf ook niet prettig en opgewekt gevoelen.

Letten we nu eens op de levenlooze voorwerpen, als hout en steen, die ook al in den mond van het volk het vermogen bezitten, om regen of droogte, vorst of dooiweer te voorspellen.

Bij eenig nadenken zullen wij tot de conclusie komen, dat het uitzetten en inkrimpen van het hout, het uitslaan of droog worden van steen aan muren en in straten, het gevolg is van verandering van toestanden in de natuur.

Maar ook hier is reeds weder de verandering ingetreden, die deze verschijnselen veroorzaakt.

Neemt men b. v. een bevroren aardappel of steen en houdt dezen eenigen tijd in een emmer met water, welks

Sluiten