Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EN BUITENZORG.

de departementen. ') Het voorstel van Dedem bewoog zich eenigszins op dezen weg.

Nu is Mr. Kleintjes blijkbaar niet geheel overtuigd van de wenschelijkheid eener hervorming in dien zin, en hij komt tot de volgende slotsom: „Overdracht van 's Raads werkzaamheden op een Raad van departementschefs lijkt mij niet aanbevelenswaard. Nog daargelaten het feit dat elke directeur meer dan genoeg heeft aan zijn eigen werkkring en zich zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk, in de zaken van zijne ambtgenooten kan inwerken, blijft dit bezwaar over, dat de Gouverneur-Generaal bij het raadplegen van den aldus samengestelden Raad, advies gaat vragen aan een college, waarvan de voorsteller zelf deel uitmaakt.

En hoe zou zulk een Raad ooit de noodige zelfstandigheid tegenover den Landvoogd kunnen bezitten ?" -')

Het antwoord hierop zoude, dunkt mij, kunnen luiden : door het Britsche stelsel over te nemen, dat al deze bezwaren doet vervallen. De directeuren zouden daardoor eene positie erlangen, eenigermate overeenkomende met die van eenen ondersecretaris van Staat, en hun rechtstreeksch verkeer met den Gouverneur-Generaal zoude tot diens voorlichting kunnen strekken. De Raad van Indië, geschoeid op de leest van den Indian Council, en samengesteld uit leden die, ieder een Departement onder hunne leiding hebbende, tevens ingewijd waren in de algemeene bestuursaangelegenheden, zoude in vergelijking met de tegenwoordige regeling eene betere verdeeling der verantwoordelijkheid, alsook eene minder ingewikkelde, snellere en daardoor aan de eischen der praktijk meer beantwoordende afdoening van zaken waarborgen.

') Sir J. Strachey. India. Blz. 62.

') Mr. Ph. Kleintjes. Het Staatsrecht van Nederlandsch-Indië. Deel I, Blz. 301.

Sluiten