is toegevoegd aan uw favorieten.

Indische reisherinneringen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SOENDALANDEN. MIDDEN-JAVA.

alle groote plaatsen wisselden Bouwmeester en Brondgeest elkaar af. Ook Engelsche en Fransche troepen bereisden in die dagen onze koloniën.

Het is een eigenaardige indruk, dien men verkrijgt bij het bezoeken der twee Vorstenlanden, Djocjakarta en Soerakarta. Het groote verschil dat op te merken valt tusschen hunne bewoners en die van het overige Java, een verschil dat zoowel het type als het karakter betreft, heeft een historischen grond. De annalen van het machtige rijk van Mataram getuigen van een verleden, toen inwendige bloei en Oostersche vorstenluister samenwerkten om indrukken te doen ontstaan, die ook bij het nageslacht bewaard zijn gebleven; keer op keer gaven de heerschende klassen in vroegere dagen voorbeelden van dapperheid, welke hun een onvergankelijk prestige in de oogen des volks hebben verzekerd.

Het was onder Mangkoerat 1 (1646—1677), opvolger van den vorst Ageng, tijdens wiens bestuur wij vasten voet op Java kregen, dat de Oost-Indische Compagnie krachtigen steun verleende aan Mataram tegen de Madoereesche en Makassaarsche horden, die het land afliepen en die de hoofdstad hadden ingenomen. Toen de vorst op zijne vlucht gesneuveld was, werd diens zoon en naamgenoot (1677—1703) door de Compagnie op den troon hersteld. Tevens werd de zetel der dynastie verplaatst naar Kartasoera. Doch Mankoerat II, die onder den invloed stond van Ratoe Blitar, eene Javaansche prinses, weigerde weldra zich te houden aan de met de Compagnie gesloten overeenkomsten, en verzamelde eene sterke strijdmacht om zich heen, welker kern een Balische keurtroep vormde, onder bevel van den hoofdman Soerapati. Het schijnt dat reeds in die eeuwen de Baliers tot de meest krijgshaftige volkeren van Insulinde werden gerekend en vaak, in den trant der Zwitsers, in vreemde gelederen dienden.