Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door groote stammen en wortels; steeds ging het op en af, soms langs een begaan spoor, soms door de wildernis, met het kapmes in de hand, om ons een weg te banen. Eenmaal ontmoetten wij dien dag met geweren gewapende Alfoeren, die echter met de pradjoerits op goeden voet schenen te staan; het trof mij bij deze gelegenheid hoezeer dit terrein zich leent tot het leggen van hinderlagen, want eerst toen wij elkander tot op weinige passen waren genaderd, bemerkte ik hen.

Eene sterke gietbui noopte ons den marsch af te breken. Gelukkig overviel zij ons op het oogenblik dat wij een groot, op palen gebouwd huis voor ons zagen staan, waartoe eene rotanladder toegang verleende. Op vier steunpilaren rustte de vloer, die overdekt was met een wigvormig dak; de lage wanden waren uit bladeren samengevlochten. Het inwendige bestond uit een 3 op 5 meter groot middenvertrek, dat omgeven was door vierkante hokjes voor slaap- en kookplaatsen. In deze kookplaatsen, bestaande uit lage bakken, gevuld met zand en asch, wordt overdag steeds een vuurtje smeulende gehouden en de Papoea's plegen, bij wijze van verwarming, zich in de asch daarvan rond te wentelen alvorens te gaan slapen.

Eene menigte Alfoeren, bijna geheel naakt, schuilde voor den regen in deze woning. Zij waren naast elkaar neergehurkt en keken ons nieuwsgierig aan; slechts de ouderen spraken met mijne begeleiders. Wanneer men 's avonds bij het vuur deze hoekige, zwarte wezens op den grond tegen elkaar aangeleund ziet zitten, herinneren zij aan gestalten uit ijzige spookverhalen. Mijne tijdelijke contubernalen waren met schubben en korsten overdekt, en verre van welriekend was de geur dien zij verspreidden.

Aan de zijwanden van het vertrek hingen slechts eenige wapenen, hoofdzakelijk knotsen, pijlen en bogen. Deze laatste zijn voor eenen ongeoefende moeielijk te spannen.

Sluiten