Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als 11 de horizontale intensiteit van het aardmagnetisme, li de straal van den ring en n liet aantal omwindingen van de geleiding op dien ring aangeeft. Voor zeer zwakke stroomen zal inen 11 groot moeten nemen, voor sterkere stroomen daarentegen minder. Menigmaal zijn dan ook twee geheel van elkander gescheiden geleidingen op denzelfden toestel aangebracht, zooals o a. bij de tangentenboussole van Siemens

Wil men met een tangentenboussole nauwkeurig waarnemen zoo moeten kleine fouten vermeden worden.

1°. Staat de punt, waarop de magneetnaald rust, niet juist in 't middelpunt der graadverdeeling, zoo moeten de aanwijzingen van beide punten genomen worden om, door het gemiddelde te nemen, den draaiingshock van den magneet te leeren kennen:

2°. Is de ring met omwindingen niet volkomen in den magnetischen meridiaan, zoo voert men den stroom eerst in de ecne en daarna in de andere richting door den draad, liet gemiddelde der gevonden afwijkingen geeft dan de juiste waarde voor den draaiingshoek.

Zoo mogelijk zorgt men er voor dat de uitwijkingen der boussole noch te groot, noch te klein zijn. Bij de aflezing maakt men een kleine waarnemingsfout, laat ons zeggen dx. De invloed hiervan is

d tanq x . . .

het kleinst wanneer — minimum is. INu is:

tang <x

d lang « = (1 -|~ tang*x) dx

en dus:

d.tangx 1-)-lang*»

lang x tang <x

sin2x -I- cos1 x ___ —_ (/x

sinx cosx 9

= ~V dx

sin zx

dus minimum indien 2x = 90° of «= 45°. Een uitwijking van ongeveer 45° is daarom de meest geschikte.

liij een galvanometer is op een rechthoekig raam een draadomwinding gewikkeld. Een astatisch naaldenstelsel, meestal opgehangen aan een codondraad, is zoo geplaatst dat de eene magneet binnen het raam (dat verticaal staat) kan schommelen. De andere magneet is boven het raam en gaat over een sehaalverdceling, of wel aan deze magneet

Sluiten