is toegevoegd aan uw favorieten.

Cursus in de electrotechniek voor de cadetten der artillerie en genie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vereisclite weerstand bereikt, dan wordt automatisch de stroom, die de gloeiing veroorzaakte, verbroken.

Is de weerstand voor alle draden dezelfde, zoo zullen zij, bij gelijke potentiaal-verschillen aan de uiteinden, gelijke stroomsterkten verkrijgen en, daar de overige omstandigheden zooals dikte, lengte enz. ook gelijk zijn, zullen zij op gelijke wijze gaan gloeien en gelijkelijk licht verspreiden, Blijft dus het potentiaal-verschil aan de uiteinden der lamp standvastig, zoo is het lichtgevend vermogen constant.

Een eigenschap van de koolstof, die bij de gloeilampen niet uit het oog verloren mag worden, is dat de weerstand van den draad «/neemt als de temperatuur vermeerdert. Metalen gedragen zich geheel anders, aangezien hun weerstand met de temperatuur toeneemt. De weerstand van een gloeietiden kooldraad is niet meer dan de helft van dien, welken hij bij de gewone temperatuur heeft.

liij een verlichting door middel van gloeilampen is het een noodzakelijk vereisclite dat het lichtgevend vermogen eener lamp niet merkbaar gewijzigd wordt door het al of niet lichtgeven van een naburige lamp. Men moet daarom de lampen r.aast elkander plaatsen. Wel is waar is een middel bedacht om achter-elkander schakeling der lampen mogelijk te maken. In dit laatste geval zullen de lampen, bij een klein potentiaal-verschil tusschen de draad-uiteinden, een sterken stroom moeten hebben en dus zullen draden van geringen weerstand noodig zijn, doch in het eerste geval is het wenschelijk lampen te hebben die Dij een betrekkelijk hoog potentiaal-verschil door een zwakken stroom gevoed kunnen worden. In de praktijk is een potentiaal-verschil van 110 Volt veel in gebruik. De stroomsterkte wisselt af van 0,5 tot 0,8 Ampère Een lamp eischt dus 55 tot 88 Watts of 0,073 tot 0,119 paardekracht.

Worden de lampen door een dynamo gevoed zoo worden zij aangebracht tusschen twee zeer dikke kabels (die meestal tot een vercenigd zijn) die met de klemschroeven van den dynamo verbonden zijn. Een weerstand-regulateur ƒ?, zie fig. 09, is in de geleiding van den dynamo opgenomen. Een voltmetcr V dient om te kunnen nagaan of het potentiaal-verschil tusschen de beide kabels standvastig is. Al de aangebrachte lampen zijn zooveel mogelijk van gelijken weerstand en stroomsterkte.

Stel er zijn n lampjes, die ieder een stroom van i Ampères eischen, terwijl zij een weerstand van v Ohms (in gloeienden toestand) hebben. De dynamo moet dan een stroom van ni Ampères leveren. De