Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weerstand tusschen de beide kabels is alsdan — Ohms. Is nu p Obms

n

de eigen-weerstand van de dynamo en R die van den regulateur zoo is de E. M K. van den dynamo E volts, wanneer

Nu moet i standvastig zijn even als r. Ook zal E vrij wel standvastig zijn als men den dynamo als shunt-dynamo inricht. Daarom moet

n (fi -f R)

constant zijn, waaruit volgt dat bij toeneming van n, R moet verminderen; p ondergaat geene verandering. Is n zoo groot geworden dat R nul is, zoo is het maximum aantal lampen ingeschakeld.

Zijn de kabels bijzonder lang, zoo is hun weerstand niet geheel te verwaarloozen en een gevolg hiervan is, dat de ver van den dynamo verwijderde lampen zwakker stroom krijgen dan die dicht bij. Bovendien is de warmte-ontwikkeling evenredig met i1 en dus is de invloed vrij spoedig merkbaar. Men neemt daarom wel de inrichting, voorgesteld door fig. G9, blad 24. De eene kabel begint bij den dynamo en loopt in de eenen zin langs de geleiding, de andere loopt juist in anderen zin. Het potentiaal-verschil is nu voor alle lampen ongeveer even groot.

Is het aantal lampen, dat gevoed moet worden groot, zoodat 2 dynamo's noodig zijn, zoo kan met vrucht het drieleidings-sijsleem worden toegepast. Men heeft dan de beide dynamo's, zie tig. 70, in spanning verbonden. De vrije uiteinden zijn elk, met tusschenkomst van weerstandsregulateurs verbonden aan een kabel A en D, ingericht voor de helft van het aantal lampen. De verbinding van de beide dynamo's is in contact met een kabel C van geringere dikte, gewoonlijk ingericht voor het vierde deel van het aantal lampen. De gloeilampen zijn in twee helften verdeeld, de eene helft is gebracht tusschen de kabels A en C, de andere tusschen C en D. De stroom i, die een lampje tusschen A en C gevoed heeft, kan nu nog een lampje tusschen C en D voeden. Bij verschil in aantal lampen tusschen de beide groepen gaat door C een stroom gelijk aan mi Ampères, indien m bedoeld verschil is.

Sluiten