Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8 16. BOOGLAMPEN.

Wanneer een vrij sterke stroom door twee koolstaven gaat, <lie elkander aanraken, zal, als die staven op kleinen afstand van elkander gebracht worden, de stroom niet onmiddellijk verbroken worden. Van de beide koolstaven zullen kleine deeltjes afgeslingerd worden naar de andere koolstaaf toe en deze deeltjes zijn de overbrengers van den stroom. De weerstand tussclien de twee gescheiden staven is daardoor groot geworden en een gevolg hiervan is, dat een groote warmtc-ontwikkeling ontstaat, die de koolstaaf-einden tot wit-gloeihitte brengt. Is de stroom gelijkstroom, zoo zal de koolstaaf, die met de positieve pool van den generator verbonden is, sterker gloeien dan de andere. De positieve koolstaaf zal in dat geval eenigszins kratervormig worden uitgehold, de negatieve zal eindigen in een stompe punt. Vooral de krater is sterk lichtgevend. Is de stroom een wisselstroom, zoo zullen beide koolstaven gelijkelijk gloeien, doch bij gelijk verbruik van energie is het lichtgevend vermogen van de lamp geringer. Men zal daarom booglampen slechts bij uitzondering met wisselstroomen voeden, liij gelijkstroom neemt de positieve koolstaaf èn door het afgeslingeren van deeltjes èn door de oxydatie ongeveer dubbel zoo snel af als de negatieve. Men neemt daarom de positieve menigmaal van grootere doorsnede.

De verspreiding van het licht bij zoogenoemd booglicht (wegens de violette boog die als overbrenger van den stroom dient) staat in nauw verband met de kratervorming der positieve koolstaaf. Zet men (zie fig. 71) van af het punt A op een richting Ali een stuk Ab uit recht-evenredig met de hoeveelheid licht in de richting Ali uitgezonden , zoo is de meetkundige plaats van b, voor zooverre het het vlak van teekening aangaat, een kromme van de vorm abcdef. Wil men dus in een bepaalde richting een bundel licht uitzenden,

Sluiten