Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 5.

Het schoolgeld is ten aanzien van leerlingen, die tusschentijds, nadat meer dan de helft van het heffingsjaar is verstreken, op de school worden toegelaten, slechts voor de helft verschuldigd.

Art. 6.

Wanneer meerdere kinderen van dezelfde, hun hoofdverblijf binnen deze Gemeente hebbende ouders het Gymnasium bezoeken, wordt — op daartoe gedaan verzoek — voor elk kind de volgende aftrek toegestaan:

a bij een inkomen van minder dan ƒ 2,400.—een aftrek van 20 pCt. b » - - ■ /2,400.— tot, 11,000.— „ „ , io ,

§ 2. BOUW EN INRICHTING DER SCHOOL.

Dit onderwerp is in de wet op het Lager onderwijs eerst voor goed geregeld in 1878.

Ten aanzien van het [toezicht op de lokalen werd, bij art. 4 dier wet, art. 4 der Gezondheidswet van toepassing verklaard en bij art. 5 vastgesteld, dat geen lager onderwijs gegeven mocht worden in lokalen, welke door den hoofdinspecteur van de volksgezondheid zijn afgekeurd als schadelijk voor de gezondheid of van onvoldoende ruimte voor het aantal schoolgaande kinderen.

Omtrent den bouw en de inrichting der lokalen bepaalde het zoo even genoemde art. 4 der wet op het Lager Onderwijs, dat door een Koninklijk Besluit algemeene regelen vastgesteld zouden worden, die tevens zouden bepalen het aantal kinderen, dat daarin mocht worden toegelaten. Dit Koninklijk Besluit verscheen 4 Mei 1883 nadat het reeds door een drietal andere voorafgegaan was en werd gewijzigd den 30 Augustus 1885. In den vorm dien het toen verkreeg is het te vinden in N°. 7 van de Nederlandsche Staatswetten, editie Schuurman en Jordens en in H. T. G. Hartman. Wet tot regeling van het Lager Onderwijs.

Het was het uitvloeisel van het verslag eener commissie, in 1879 benoemd om de Regeering voor te lichten over de maatregelen, die wenschelijk waren.

Sluiten