Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 3.

Onverminderd de voorschriften der Algemeene Politieverordening moeten de scholen, wat de getalsterkte der klassen, de lokaliteiten en het mobilair betreft, voldoen aan de volgende eischen:

1°. dat in ééne klasse niet meer dan 40 kinderen worden bijeengevoegd ;

2°. dat de school ten minste twee afzonderlijke schoollokalen bevat;

3°. dat de school voorzien zij van goed ingerichte privaten en urinoirs, ten getale als door Burgemeester en Wethouders voldoende wordt geoordeeld, waarbij als maatstaf zal gelden, dat voor iedere dertig kinderen ten minste één privaat en voor iedere zestig kinderen ten minste één urinoir is vereischt;

4°. dat de bergplaats voor de kleederen afgescheiden zij van de schoollokalen, en voor het doel waarvoor zij bestemd is, worde gebruikt;

5°. dat aan de school een flinke speelplaats en een speellokaal, ten genoegen van Burgemeester en Wethouders, verbonden zijn;

6°. dat de schoolbanken zijn goedgekeurd door Burgemeester en Wethouders.

Art. 4.

Het hoofd der school en de aan de school verbonden onderwijzeressen moeten een bevoegdheid bezitten ten genoegen van Burgemeester en Wethouders.

Het hoofd der school moet worden bijgestaan:

bij een aant. leerl. van 41— 80 door ten minste één onderwijzeres, » » » » « 81—120 „ „ „ twee onderwijzeressen, » » » » v 121—160 „ „ drie „

en vervolgens voor elk 40-tal leerlingen of gedeelte daarvan door één onderwijzeres.

Voorts moet voor elk 80-tal leerlingen of gedeelte daarvan een helpster aan de school verbonden zijn.

Art. 5.

Bij de aanvrage om subsidie moet de verplichting worden aanvaard tot onverwijld ontslag van de hoofdonderwijzeres, onderwijzeressen of helpsters, wanneer dit door Burgemeester en Wethouders op grond van ongeschiktheid of wangedragwordtverlangd.

Sluiten