is toegevoegd aan uw favorieten.

Modern gemeentebeheer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afzonderlijke commissie van toezicht op de gesubsidieerde bewaarscholen, bestaande uit: een lid van den gemeenteraad als voorzitter, twee geneeskundigen, een lid der commissie van toezicht op de gemeentelijke bewaarscholen, een hoofd van een openbare en van een bijzondere lagere school, van een gemeentelijke en van een bijzondere bewaarschool, benevens twee andere dames.

B. Voorbereidende klassen.

De voorbereidende klassen onderscheiden zich van de bewaarscholen, doordat zij verbonden zijn aan de lagere school. Tegen deze verbinding verzet de wet op het Lager Onderwijs zich niet. De kinderen worden er gewoonlijk opgenomen omstreeks hun vijfden verjaardag en dan bezig gehouden met oefeningen hunner zintuigen en spraakwerktuigen, zoodat zij na een jaar geschikt zijn om lager onderwijs met vrucht te volgen.

Hoewel de voorbereidende klassen den kleinen niet kunnen geven, wat dezen noodig hebben, omdat de lagere school, waarvan zij deel uitmaken, daarop niet is ingericht, kunnen zij toch als surrogaat van een bewaarschool goed werken, vooral daar, waar geen bewaarschoolpersoneel te krijgen is. De rijkswet laat onbevoegd personeel niet toe in de lagere school; de bewaarschool is in dit opzicht vrij. Ieder, die er zich zelf voor geschikt acht, kan er een oprichten.

Onder voorbehoud, dat de voorbereidende klasse als inrichting van onderwijs aan kinderen beneden den leerplichtigen leeftijd bij de bewaarschool achter staan, zijn er enkele voordeelen aan verbonden. Het voornaamste is, dat leerlingen, die het lager onderwijs in de eerste klasse der school niet kunnen volgen, zoolang zij geen zeven jaar zijn in de voorbereidende klasse gezet kunnen worden en dat er rekening gehouden kan worden met de leermethoden in de lagere school gevolgd.

Een ander, een financieel voordeel, is vervallen. De wet op het Lager Onderwijs geeft den leeftijd, waarop de kinderen tot de lagere school toegelaten kunnen worden niet aan en alle leerlingen werden vóór 1906 bij de toekenning der subsidie medegeteld. Sinds evenwel de wet in art. 48. I. 1°. c, bepaalt, dat voor de berekening der bijdragen, door het Rijk aan de gemeente verleend, de leerlingen beneden de zes jaar buiten aanmerking blijven, draagt het alleen bij in de kosten der voorbereidende