Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle klassen doorloopen heeft, of, voor zoover het onderwijs gegeven wordt in klassen, die samen een langeren leertijd dan zes jaar innemen, zooveel klassen, als samen een leertijd van zes jaren omvatten." Hij kan ook langer duren, doordat er óf voorbereidende klassen, óf vervolgklassen aan de school verbonden zijn.

De tweede is de tijd, die er verloopt tusschen twee achtereenvolgende opnemingen van nieuwe leerlingen. De tijd bepaalt de duur van den cursus. In den regel is die een jaar.

De leertijd omvat dus zelfs 111 de kleinste scholen minstens zes cursussen, d. w. z. er zijn in elke scholen minstens zes groepen leerlingen of klassen van ongelijke vorderingen, die eigenlijk ieder afzonderlijk onderwijs behooren te ontvangen.

Onafhankelijk van dit aantal klassen bepaalt de wet op het Lager Onderwijs het minimum van het aantal leerkrachten. Art. 24 zegt toch:

„Het hoofd der school wordt bijgestaan door ten minste één onderwijzer, zoodra het aantal schoolgaande kinderen meer dan veertig, door ten minste twee onderwijzers, zoodra het een en negentig bedraagt.

„Voor elk vijf en vijftigtal schoolgaande kinderen boven de negentig wordt een onderwijzer meer vereischt.

Daarbij spreekt de wet de wenschelijkheid uit om voor scholen met 25 a 40 leerlingen een tweede leerkracht aan te stellen en zij tracht dit te bevorderen door deze bepaling in art. 48:

„Door het Rijk wordt voor elk dienstjaar aan de gemeente een bijdrage verleend, voor scholen van meer dan 24 en minder dan 41 leerlingen, voor één onderwijzer de minimum-jaarwedde, waarop hij volgens art. 26 aanspraak heeft."

Het is dus mogelijk, dat één onderwijzer aan zes klassen, samen 40 leerlingen bevattende, in tien vakken onderwijs moet geven, of in negen, als men de vrije en ordeoefeningen der gymnastiek buiten rekening laat. Van de verplichting tot het geven van onderwijs in dit vak kan toch door Gedeputeerde Staten, den districtsschoolopziener gehoord, telkens voor ten hoogste vijf jaren, vrijstelling worden verleend (art. 16).

Bij een aantal leerlingen tusschen 40 en 91, moet ditzelfde aantal vakken door een der onderwijzers onderwezen worden aan drie klassen; terwijl de andere onderwijs moet geven in

3

Sluiten