is toegevoegd aan uw favorieten.

Modern gemeentebeheer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der leerstof ingaan, en wel eenigszins op uitbreiding daarvan gelijken. Daartoe behoort de strijd over de noodzakelijkheid van vrije- en ordeoefeningen, een vak, wel in art. 2 der wet op het Lager Onderwijs onder de verplichte genoemd, doch nog lang niet algemeen ingevoerd.

In 1878 werd de gymnastiek onder de niet verplichte vakken opgenomen; maar daar het onderwijs daarin een lokaal en vrij kostbare toestellen vordert, was er in 1889 van de invoering nog niet veel gekomen. Daarom stelde de Regeering in dat jaar voor onder de verplichte vakken op te nemen, de vrije- en ordeoefeningen der gymnastiek. Zij verstond daaronder oefeningen, die zonder toestellen gehouden worden, bewegingen van het lichaam en gymnastische spelen. Daarvoor waren geen afzonderlijke lokalen noodig; een gewoon schoollokaal of een terrein in de open lucht zonden voldoende zijn. Vakonderwijzers konden eveneens gemist worden; de gewone onderwijzer, mits hij een akte had, kon ze leiden. De veronderstelling, dat geen afzonderlijke lokalen voor de vrije- en ordeoefeningen noodig waren, is evenwel onjuist gebleken. Hield men ze tusschen de schoolbanken, dan dreven zij zooveel stof op, dat zij uit een hygiënisch oogpunt beschouwd, eer schadelijk dan nuttig waren, en de speelplaatsen konden een groot deel van het jaar niet gebruikt worden.

Afzonderlijke ruimte was dus noodig en vandaar een aandringen van de gemeentebesturen om van het geven van dit onderwijs vrijgesteld te worden, dat uitliep op de bepaling in art. 16 der wet op het Lager Onderwijs: „Van de verplichting tot het geven van onderwijs in het vak, vermeld in art. 2 onder/, kan door Gedeputeerde Staten, den districtsschoolopziener gehoord, telkens voor ten hoogste vijf jaren, vrijstelling worden verleend." Naar aanleiding dezer vrijstelling zegt de Commissie inzake de bevordering van de lichamelijke geoefendheid der Nederlandsehe jongelingschap, ingesteld bij ministerieel besluit van 20 Juli 1906, in haar rapport, dat als bijvoegsel tot de Nederlandsehe Staatscourant van 3 April 1908 is opgenomen: „De ondervinding heeft geleerd, dat een groot aantal gemeentebesturen, daarin ondersteund door meegaand schooltoezicht en toegevelijke Gedeputeerde Staten, de invoering van dit vak tot een doode letter hebben gemaakt. De goede bedoeling van den wetgever, die door invoering van vrije- en ordeoefeningen een algemeene lichamelijke volksopvoeding wilde voorbereiden, mislukt dientengevolge volkomen."