Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vak als wel als een beginsel erkennen. Men trekt geen speciale uren voor den handenarbeid uit, maar beoefent dien, waar men hem denkt noodig te hebben. (Men acht het bijv. noodig, een of andere waarheid op het gebied van het meetkundig rekenen aanschouwelijk voor te stellen, men laat doosjes van karton of voorwerpen van klei vervaardigen om op deze wijze de voorstelling te hulp te komen.

3°. Men acht den handenarbeid te zijn een afzonderlijk leervak, maar kiest zijn oefeningen zooveel mogelijk zoodanig, dat zij een nuttige toepassing vinden ten opzichte van het overige onderwijs.

De eerste dezer drie richtingen telt hier te lande niet veel aanhangers. Wel zal er hier en daar nog wel onderwijs gegeven worden, waarbij het alleen om den arbeid te doen is, maar op de meeste scholen, waar handenarbeid in het onderwijs is opgenomen, heeft men dien weg verlaten. Een uitzondering vormt nog altijd de houtarbeid en dit komt vooral, omdat deze zich minder gemakkelijk met het overige onderricht laat combineeren.

Wat de tweede richting beoogt blijkt het best hieruit: Bij het rekenen, als de begrippen inhoud en oppervlakte verduidelijkt moeten worden, laat men enkele voorwerpen uit karton of klei maken; bij de aardrijkskunde laat men polders, sluizen uit klei boetseeren, bij het onderwijs in geschiedenis de urnen en grafsteenen der oude Germanen of de gevels der tuinen in verschillende bouwstijlen in klei namaken. Bij het onderwijs in de natuurkunde zullen karton, hout, glas en ijzer als grondstoffen dienst moeten doen, opdat de leerlingen met behulp van zelfgemaakte instrumenten proeven kunnen nemen.

Deze richting beoogt minder de handvaardigheid der leerlingen te ontwikkelen; zij moet eerder aangemerkt worden als een poging om verbetering te brengen in enkele onderwijsmethoden.

De derde richting wil den handenarbeid èn als leervak èn als toepassing. Op het werkprogram eener school trekt zij eenige uren per week uit voor het nieuwe leervak, zorgt er voor, dat enkele aan klei-, andere aan papierarbeid worden gewijd, in de latere jaren ook aan houtbewerking. De voorstanders dier richting gaan uit van de stelling, dat de vaardigheid, als iedere andere kunst, moet aangeleerd worden. Zij trachten dit te doen door de oefeningen zoo te kiezen, dat deze „opklimmen in moeilijkheid".

Men ziet invoering van handenarbeid moet gepaard gaan met uitbreiding van het leerplan of met grondige herziening daarvan.

Sluiten