Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In kleine gemeenten, waar uit den aard der zaak het aantal achterlijken klein is, kan van een school geen sprake wezen. Daar zou alleen plaatsing in inrichtingen hier en daar in het land verspreid en opgericht door het Rijk of door particulieren hulp kunnen brengen. De verpleging zou, voor zoover dat in hun vermogen is, bekostigd kunnen worden door de ouders, het onderwijs door de gemeente tot zeker geen minder bedrag dan wat het onderwijs aan een normaal kind haar kost.

Voor het onderwijs aan blinden, doofstommen en idioten geldt hetzelfde. Voor blinden bestaat er een te Amsterdam, voor doofstommen zijn er te Groningen, Rotterdam en St. Michielsgestel, voor idioten is er een te 's-Gravenhage.

Een stelsel als het Mannheimer voor steden van genoegzamen omvang zou tevens een goede aansluiting voor het lager en het voortgezet onderwijs geven. Als tijdig een schifting gemaakt werd tusschen leerlingen, die wèl en leerlingen die niet geschikt blijken uitgebreid lager onderwijs te volgen en deze schifting niet berustte op de meerdere of mindere gegoedheid van de ouders, maar op hetgeen de kinderen in de school praesteerden, dan zou bij geëindigden leerplicht het zwakkere deel kunnen overgaan naar gewone herhalingsscholen, naar ambachtsscholen of naar vakscholen, waar de praktijk meer dan de theorie op den voorgrond trad; de vluggeren, die reeds een begin gemaakt hadden met het aanleeren van vreemde talen, zouden kunnen overgaan naar middelbare scholen, gymnasia of scholen voor vakken, waarbij talenkennis vereischt is, naar herhalingsscholen eveneens met uitgebreid leerplan, of naar vervolgklassen aan lagere scholen, waar meer den nadruk gelegd wordt op de vakken van het uitgebreid lager onderwijs. Er zou dan niemand uitgesloten behoeven te worden wegens gebrekkige voorbereiding; voor ieder zou de inrichting toegankelijk kunnen zijn, die het best bij zijn aanleg in de plannen zijner ouders paste, als ten minste het schoolgeld in die inrichtingen ook evenredig en voor de noodige kostelooze plaatsen gezorgd was. Er zou dan niet gewezen kunnen worden op bevoorrechting van den eenen maatschappelijken stand boven den anderen bij het openstellen der gelegenheid om voortgezet onderwijs te erlangen.

Geen onderwijs kan evenwel ten volle tot zijn recht komen,

Sluiten