Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegen het besluit van Gedeputeerde Staten van Friesland ging de gemeenteraad in hooger beroep. Hij werd evenwel in het ongelijk gesteld bij koninklijk besluit van 9 Januari 1892, o. a. op grond hiervan : „dat zoodanig gebruik van de uit de opbrengst der plaatselijke belastingen in de gemeentekas bijeengebrachte gelden ter uitreiking van voedsel aan inwoners der gemeente of aan een gedeelte hunner, behalve in door de wet op het armbestuur voorziene en door haar geregelde gevallen, waarvan hier geen sprake was, nimmer kon geacht worden te behooren tot de huishouding der gemeente, nbch een onderwerp van gemeentezorg te zijn."

Bij deze uitspraak bleef het evenwel niet. Bij de behandeling der staatsbegrooting van 1893, verklaarden sommige leden der Tweede Kamer in het voorloopig verslag gaarne van den minister te vernemen, of hij elke uitgaaf eener gemeente voor het verstrekken van voedsel aan schoolkinderen in beginsel ontoelaatbaar achtte, dan wel, of de afwijzing van het beroep der gemeente Sneek alleen te wijten was aan de wijze, waarop het bestuur dier gemeente de zaak had ingekleed. De minister verklaarde, dat het

laatste het geval was.

Uitgemaakt was het dus nog niet, dat de gemeente geen subsidie voor kindervoeding mocht geven en de voorstanders daarvan konden dus met hoop op succes blijven doorwerken. Zij begonnen sterker dan te voren de aandacht te vestigen op art. 47 (thans 51) der wet op het lager onderwijs, luidende: Het gemeentebestuur bevordert zooveel mogelijk het schoolgaan der kinderen van bedeelden en van on- en minvermogenden . Zij vroegen zich af, wat de wetgever toch wel bedoeld kon hebben met de woorden „zooveel mogelijk" en kwamen tot de conclusie, dat voeding van schoolkinderen als middel tot bevordering van schoolbezoek, hoewel bij de vaststelling der wetten van 1857 en 1878 in ons land nog zoo goed als onbekend, niet buiten haar kader viel en dat dus de gemeenten, zoolang zij dit middel niet hadden toegepast, niet zooveel mogelijk gedaan hadden.

Langzamerhand kwam ook de regeering van het land op dit standpunt.

Toen bij de begrooting van 1898 in het afdeelingsverslag van de Tweede Kamer door enkele leden de vraag werd gedaan, of de regeering de gemeente bevoegd achtte een post op de begrooting te brengen ten behoeve van het verstrekken van voedsel

Sluiten