Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens art. 2 der Statuten van de „Vereeniging voor Openbare Leeszalen in Nederland*, wordt onder openbare leeszalen verstaan: „leesgelegenheden, die voor het publiek kosteloos toegankelijk zijn en wier besturen zich bij de keuzen van boeken, tijdschriften en couranten op algemeen en neutraal standpunt plaatsen, en, zoo zij voor het uitleenen der boeken een bijdrage vorderen, het behalen van winst uitsluiten."

In het bekende werk van Dr. H. E. Greve „Openbare Leesmusea en Volksbibliotheken" wordt het verschil tuschen Openbare Leeszaal en Volksbibliotheek uitvoerig aangetoond. De laatste denkt men zich meer voor het volk in engeren zin, het „mindere" volk, maar de openbare leeszaal en openbare boekerij, is volgens Vlugschriften der Vereeniging voor Openbare Leeszalen in Nederland No. /, „voor de ontwikkelden uit alle maatschappelijke kringen, zonder onderscheid. Alleen van deze leeszalen verwachten wij een beschavenden invloed en praktischen steun voor geheel ons volk.'"

Aan dezen eisch beantwoorden de reeds jaren bestaande gemeentelijke bibliotheken met daaraan verbonden leeszalen zeker niet. Zij dragen öf het karakter van eene studie-inrichting, zooals de Amsterdamsche universiteitsbibliotheek óf bezitten of schaffen slechts boeken aan van bepaald plaatselijk belang, gelijk Haarlem. Wel is waar, wordt dit laatste niet altijd streng volgehouden, doch het staat dan toch op den voorgrond. Daarentegen zal de openbare leeszaal en boekerij geheel andere lectuur moeten verschaffen, wanneer zij, zooals de Leeuwardensche, zich ten doel stelt „mede te werken aan de geestelijke ontwikkeling en ontspanning van volwassenen zonder onderscheid van godsdienstige of staatkundige overtuiging."

Niemand zal kunnen ontkennen, dat hierdoor een algemeen belang wordt bevorderd, de vraag is slechts in hoever dit moet worden overgelaten aan het particulier initiatief en in welke mate de overheid daarvoor de zorg op zich moet nemen.

De hierbedoelde inrichtingen geheel alleen geëxploiteerd door „het particulier initiatief" hebben zonder twijfel het voordeel van volledige vrijheid, doch de ervaring heeft bewezen, dat de inkomsten uit „het particulier initiatieP onvoldoende zijn. Een beroep op den financieelen steun van de gemeentelijke overheid ligt dan ook voor de hand. Wel is het ook een rijksbelang dat de ingezetenen zich verder kunnen ontwikkelen en een bijdrage van

Sluiten