Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ƒ»

uit. De tijd dien liet noodig heeft om van een of ander punt van de baan weer tot hetzelfde punt terug te keeren, heet de omloopstijd.

In Fig. 44 is het geval voorgesteld, dat het punt, na in Fis- **■ 5 tijdseenheden tot het uitgangspunt

loop ook laat beginnen.

Het eenvoudigste voorbeeld van een beweging langs een gesloten lijn niet standvastigen omloopstijd is de gelijkmatige beweging. " '

Bewegingen die, zooals de zooeven beschouwde, zich telkens na een bepaald tijdsverloop op dezelfde wijze herhalen, heeten periodiek; het bedoelde tijdsverloop wordt de periode genoemd. Hij een rondgaande beweging niet standvastigen omloopstijd hebben de woorden „omloopstijd" en „periode" dezelfde beteekenis.

§ 50. Schommelingen «f trillingen. Ook een beweginangs een met gesloten lijn kan periodiek zijn; dit is b * het geval als een punt aanhoudend heen- en weergaaf tusschen twee uiterste standen, zoodat elke heen- en weergang op dezelfde wijze plaats heeft. Zulke bewegingen heeten slingeringen, schommelingen of trillingen. In den regel zullen wij onder een schommeling of trilling een vollen heen- en weergang verstaan; de daarvoor noodde tyd d.w.z. de periode, heet schommeltijd of trillingstijd In het bijzonder beschouwen wij trillingen langs een rechte lijn.

Tusschen dezelfde omkeerpunten en met denzelfden trillingstijd kan de beweging nog op zeer verschillende wijzen plaats hebben; er zjjn, zooals wij zullen zeggen, verschillende tnllingsvormen mogelijk. De Fig. 45, a, b, c, d kunnen dit ophelderen. In de eerste daarvan zijn de heengang en de

teruggekeerd te zijn, de volgende omloopen op dezelfde wijze volbrengt als den eersten. Men kan dan spreken van den omloopstijd, d.w.z. den tijd, noodig voor eiken omloop, onverschillig welken. Die tijd is dezelfde, in welk punt .4 of H men den 0111-

Sluiten