Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Do lijnon A a, A K en .1 c stellen dus de l»jj eenzelfden zoor kleinen tijd belioorende wegen voor, resp. bij do beweging van hot platte vlak, bjj de relatieve en bij do absolute bewoging van bot voorwerp. Do bij deze bewegingen voorkomende snelheden moeten do richting van die drie lijnen hebben en met de lengte daarvan evenredig zijn; daaruit volgt (§ 28) dat do dorde snelheid wordt voorgesteld door de diagonaal A li' van het parallelogram waarvan do zijdon AA' 011 AH de twee andere snolheden aangeven.

Men is gewoon te zeggen dat een voorwerp zooals het hier beschouwde twee snelheden Iegelijk heeft, nl. de relatieve snelheid ten opzichte van het vlak en de snelheid van dit laatste.

Overeenkomstig deze spreekwijze zullen wij met de uitdrukking: ..een lichaam heeft twee snelheden" altijd bedoelen dat het de snelheid heeft, die men krijgt door deze twee met elkaar samen te stellen volgens den regel van # 27.

De benamingen: „parallelogram van snelheden", „resulteerende snelheid", „ontbinden van een snelheid", „snelheidscomponenten", behoeven na het in § 27 besprokene geen toelichting meer. Wij mei-ken alleen nog het volgende op.

a. Hebben de twee snelheden die men met elkaar moet samenstellen, dezelfde of juist tegengestelde richtingen, dan is de resulteereude snelheid gelijk aan hun som of hun verschil. Men kan zich hiervan gemakkelijk rekenschap geven door een voorwerp te beschouwen, dat zich in zekere richting over een plat vlak beweegt, terwijl dit vlak in dezelfde of in tegengestelde richting wordt voortgeschoven.

Twee tegengestelde en gelijke snelheden hebben de resultante 0. Een voorbeeld heeft men in een persoon die een vaartuig voortboomt.

Nu wij eenmaal hebben vastgesteld wat wij zullen verstaan onder de samenstelling of bijeenvoeging van twee snelheden van tegengestelde richting, kunnen wij de snelheidsverandering- van een verticaal opgeworpen lichaam

64) ook beschrijven door te zeggen:

Een lichaam dat in verticale richting opstijgt, krijgt

fa

Sluiten