Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoeft oen stoffelijk punt twee snelheden tegelijk, dan kunnen wij ook zeggen dat het de twee hoeveelheden van beweging die daaraan beantwoorden te gelijk heeft, en uit den regel voor het samenstellen van twee snelheden in verband met de stelling van § 28, volgt dan dat dJ werkelijke hoeveelheid van beweging gevonden wordt dooide twee zooeven genoemde hoeveelheden van beweging naar het voorschrift van § 27 .net elkaar samen testellen.

In Plaats van te zeggen dat een stoffelijk punt door de werking van een kracht in elk tijdsdeel een zekere snelheid krijgt bij die, welke liet reeds had, kunnen wij ook zeggen dat het een. nieuwe hoeveelheid van beweging

krijgt, die met de reeds bestaande moet worden samengesteld.

Het nut van de invoering dezer nieuwe grootheid is gelegen in de volgende stelling, die onmiddellijk uit de formule (18) volgt:

hen bepaalde kracht, gedurende een bepaalden tijd in standvastige richting werkende, brengt een bepaalde hoeveelheid van beweging voort, onverschillig hoe groot de massa van het stoffelijke punt is.

Stelt men in (18) t = 1, dan wordt K=mv, d. w. z.: I)e hoeveelheid van beweging die een kracht in de tijdseenheid teweegbrengt, wordt door hetzelfde getal voorgesteld als de kracht.

Neemt men daarentegen aan dat t zeer klein is, en noemt men het product Kt den stoot, dan leert ons de formule: Len stoot wordt door hetzelfde getal voorgesteld als de hoeveelheid van beweging die hij voortbrengt.

§ 10(). Botsing van twee lichamen. Worden twee lichamen die krachten op elkaar uitoefenen aan hun wederkeerige werking overgelaten, dan volgt uit de wet der gelijkheid van werking en terugwerking, in verband met de stelling \an § 85, dat de snelheden die zij gedurende een zeker tijdsverloop bij de reeds bestaande krijgen, tegengesteld gericht zijn, en omgekeerd evenredig met de massa's, of, wat op hetzelfde neerkomt, dat de lichamen gelijke en tegengestelde hoeveelheden van beweging ontvangen.

fiOQ.

Sluiten