Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fiob-

werken. De kracht die vereischt wordt om aan Q de gewensehte beweging to geven is (§ !»1) de projectie Q G van P /•'. Daaruit volgt, Fig. 88.

wanneer OQ — s is, voor die kracht weer do in \

S 101 opgegeven waarde.

§ 106. Verschijnselen bij draaiende bewegingen. Ileeft hot boven beschouwde lichaam een snelheid in de richting van den cirkelomtrek, maar werkt er geen kracht op, dan zal het langs de raaklijn verder gaan. Dit blijkt bij verschillende proeven.

d. Een staaf ab (Fig. 80), waarover een doorboorde kogel c kan glijden, kan in een horizontaal vlak om liet punt .1/ worden rondgedraaid. Zoodra deze beweging begint, krijgt c een snelheid in de richting van cd, en gaat dan

verder, althans nagenoeg, langs die lijn voort. De hol verschuift zich daarbij over de staaf van M af; heeft b.v. deze laatste den stand a'b' aangenomen, dan is de kogel in e gekomen.

Ook wanneer het lichaam c met een draad aan het punt M van de staaf bevestigd is, verwijdert liet zich, onmiddellijk na het begin van de beweging, iets

van M, maar de daardoor uitgerekte draad oefent dan een spanning op den kogel uit, die hem van de lijn cd doet afwijken. I)e uitrekking gaat zoo ver tot de spanning van het koord juist gelijk aan de kracht is, die noodig is om den bol in een cirkel to doen rondgaan.

Wordt in plaats van hot koord een spi raai veer gebezigd, dan kan men door de uitrokking die deze ondergaat do formule (22) op de proef stellen.

b. Laat op de staaf u b twee doorboorde lichamen aan weerszijden van M geplaatst worden, die door een draad verbonden zijn. Draait men dan de staaf rond, dan kunnen zich, naar gelang van de massa's der lichamen en van de afstanden tot het middelpunt, verschillende verschijnselen voordoen. Het kan gebeuren dat het koord, wegens zijn uitrekking, op zeker oogenblik een spanning heeft gekregen, voldoende om het eerste lichaam in een cirkel te doen loopen, maar

Fig. 8!».

Sluiten