Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet juist de in 105 beschouwde centripetale kracht K zijn. Hield nu de wenteling1 op, dan zouden deze krachten l\' de deeltjes tot de as doen naderen. Men kan dit echter beletten, en dus de deeltjes in dezelfde relatieve standen houden, die zij gedurende de wenteling hadden, wanneer men op elk deeltje een middelpuntvliedende kracht, geljjk aan de kracht A', laat werken.

§ 108. Invloed van de aswenteling der aarde op de schijnbare grootte der zwaartekracht. Kik punt van de aarde beschrijft in 24 uren een cirkel, waarvan de loodlijn, uit dat punt op de as van de aarde neergelaten, de straal is. Dit heeft op de bewegingsverschijnselen die men bij -werpen op het oppervlak der aarde waarneemt, dezelfde uitwerking als een kracht, die op elk voorwerp in de richting van het verlengde der genoemde loodlijn werkt. Deze middelpuntvliedende kracht heeft de door (22) bepaalde waarde en is klaarblijkelijk het grootst aan den aequator, 011 nul aan de polen. Aan den aequator is zij juist tegengesteld aan de zwaartekracht gericht, terwijl zij op andere plaatsen een stompen hoek daarmee maakt.

De \erschjjnselen aan het oppervlak der aarde zijn nu zoo alsof de aarde stilstond , maar de zwaartekracht aan den aequator iets zwakker was c^ui aan de polen. De in !$ (i.'i besproken ongelijkheid der waarden van ;/ op verschillende breedte kan bierdoor voor een deel verklaard worden. Echter niet geheel, want de theorie leert dat, terwijl de schijnbnrn waarde van </ aan den aequator 978,1 is, de nare waarde, d. w. z. de waarde die men zou waarnemen als de aarde stilstond, 981,5 is. Deze waarde is nog iets kleiner dan die, welke aan de polen bestaat.

Verbeelden wij ons ann den aequator der aarde op zekere hoogte boven den giond een voorwerp losgelaten. Dit wordt door de aarde aangetrokken en krijgt dientengevolge een naar het middelpunt van de aarde gerichte versnelling, die wij G zullen noemen. Men kan zich nu echter voorstellen dut aan dit voorwerp een zoo groote snelheid r in de lichting van do raaklijn aan den aequator gegeven werd, dat de bedoelde aantrekking juist toereikend zou zijn om het lichaam in een cirkel te doen rondloopen. Daarvoor zou, als r do afstand tot het middelpunt der aarde is,

r = O, of v = y Gr (2H)

moeten zijn. Hestoud dezo snelheid, dan zou het lichaam niet tot den grond naderen, en liad het een nog snellere zijdelingscho beweging, dan zou de

jm

Sluiten