Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

arbeid op de staaf doet en dus hetzelfde arbeidsvermogen behoudt.

Wijkt echter de staaf, als de draad ertegen komt, terug, dan ziet men den bol minder hoog opstijgen. Omgekeerd stijgt hij hooger dan zoo even, wanneer men de staaf tegen de beweging van den draad in verplaatst. Dan doet men arbeid op den slinger en vergroot dus het arbeidsvermogen daarvan.

e. Worden de deeltjes van een veerkrachtig lichaam uit hun evenwichtsstanden verplaatst en vervolgens losgelaten, dan keeren zij met een versnelde beweging terug; zij overschrijden dientengevolge de oorspronkelijke standen, totdat door de nu in tegengestelde richting werkende krachten de bewegingsrichting wordt omgekeerd. Het lichaam voert dus schommelingen of trillingen uit. Daarbij blijft het bedrag van het arbeidsvermogen onveranderd, maar terwijl het lichaam, als het door den evenwichtsstand gaat, kinetische energie heeft, heeft het in de uiterste standen het arbeidsvermogen dat aan de deformatie beantwoordt.

Naderhand zullen wij sommige van deze trillende bewegingen uitvoeriger behandelen; nu vermelden wij alleen de wijze waarop in een uurwerk de zoogenaamde onrust door een spiraalveer een lieen- en weergaande beweging krjjgt.

Een klein wieltje a (Fig. 102) kan Fi 10„

om de as h draaien; aan dat wieltje is het binneneinde der veer bevestigd, terwijl het buiteneinde in <• is vastgemaakt. Wordt het wieltje door draaiing over zekeren hoek uit zijn evenwichtsstand gebracht, dan voert

liet onder den invloed van de elasticiteit der veer draaiende schommelingen uit.

f. Als twee gelijke volkomen veerkrachtige bollen met gelijke en tegengesteld gerichte snelheden tegen elkaar botsen, blijft gedurende de aanraking het raakpunt op dezelfde plaats. De eene bol doet geen arbeid op don anderen, en elke bol behoudt dus de energie die hij had. Alleen wordt tijdelijk, zoolang er een deformatie is, het

Sluiten