Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nisch arbeidsvermogen die verdwijnt, steeds evenveel warmte te voorschijn komt. Men kan dus inderdaad gevoegelijk zeggen dat liet mechanische arbeidsvermogen in warmte wordt omgezet.

Deze gevolgtrekking wordt nog bevestigd door de uitkomsten van andere metingen van Jovf-E, die, al lieten zij een mindere nauwkeurigheid toe, toch vermelding verdienen, omdat zij naar geheel andere methoden werden verricht. Uit de proeven over de teniperatuurverhooging hij het samendrukken van lucht vindt men 429,1 X 105 pn ah die over <lo warmte-ontwikkeling bij liet 'stroomen van water door nauwe buizen 414,1 X

§ 141. Toestel van Pullij. Deze eenvoudige toestel ter bepaling van het mechanisch warmte-aequivalent bestaat uit twee ijzeren bekertjes in den vorm van afgeknotte kegels, waarvan liet eene in het andere past. De buitenste kegel A is in verticalen stand op den top van een verticale as bevestigd en kan aldus snel om zijn meetkundige as worden rondgedraaid. Hij zou daarbij door de wrijving den binnensten kegel li moesloepen, maar deze wordt door een kracht, die men meten kan, stil gehouden. Aan zijn boveneinde, dat een weinig boven A uitsteekt, is nl. een horizontale houten arm, in 't verlengde van een straal, bevestigd; aan 't uiteinde daarvan is een draad vastgemaakt, die in horizontale richting, en wel loodrecht op den arm naar een katrolschijf loopt, waar hij over heen geslagen is, zoodat het vrije einde naar beneden hangt. Dit einde draagt een gewicht /', dat zoo geregeld wordt dat H bij 't draaien van A zoo goed mogelijk stilstaat. Do binnenste kegel bevat een hoeveelheid kwik en daarin staat het reservoir van een thermometer. Daar de draaiing snel kan plaats hebben en zoo lang kan worden voortgezet als men wil, kan men gemakkelijk een teniperatuurverhooging van eenige graden krijgen. (Bij de proeven van Jour.K bedroeg de teniperatuurverhooging niet veel meer dan een halven graad F.).

De buitenste kegel is van de as waarop hij rust, gescheiden door een zelfstandigheid die de warmte weinig doorlaat, maar toch is het noodig, door opzettelijke waarnemingen te bepalen hoeveel warmte aan de omgeving wordt afgestaan.

Uit de met het oog hierop gecorrigeerde teniperatuurverhooging, in verband met de waterwaarde van de ijzeren kegels en het kwik,

ii

Sluiten