Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fiis

siteit toeneemt, dan moet men niet aan één kracht, de wrijving, donken, die het eene lichaam op het andere uitoefent, maar deze opvatten als de resultante van tallooze krachten, waarmee de molekulen van het eene lichaam op die van het andere werken.

§ 145. Nadere beschouwing van de warmtebeweging. Neemt men aan dat het alleen de kinetische energie is, die bij een temperatuurverhooging toeneemt, dan kan men tot een schatting geraken van de snelheden die bij de molekulaire bewegingen voorkomen. Om b.v. een gram kwik van 0 tot 100 te verwarmen, zijn, daar de soortelijke warmte 0,031 is, 3,1 calorieën noodig, gelijk staande met bijna 13 X^7 erg. Noemen wij de gemiddelde snelheid der molekulen, in centimeters per seconde uitgedrukt, bij 0° v„ en bij 1(X) vl00, dan is bij de eerste temperatuur het arbeidsvermogen van beweging |y02, bij de laatste iv1 002. Daarnl.de kinetische energie niet van de richting der beweging afhangt, is zij, als de molekulen met een zekere gemiddelde snelheid op onregelmatige wijze heen- en weergaan, even groot als wanneer zij zich alle met die snelheid naar dezelfde zijde bewogen.

Men moet nu hebben

i f.oo2= 13X10',

waaruit volgt

yi oo2 > 26 X 107

of

":oo > 10000 cm per sec.

Wel berust deze uitkomst op een onderstelling die niet volkomen juist is, maar een geheel verkeerd denkbeeld van de molekulaire snelheden geeft zij toch zeker niet.

Wij knoopen aan deze beschouwing nog het volgende vast. Daar iedereen zal zeggen dat een verhit voorwerp meer „warmte" bevat dan een koud lichaam, ligt het voor de hand, den naam „warmte" toe te passen op de inwendige energie die door temperatuurverhooging toeneemt. Zullen wij nu echter dien naam ook gebruiken voor het arbeidsvermogen dat water van 0 meer bevat dan ijs van 0° -

Sluiten