is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginselen der natuurkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den afstand tot dien evenwichtsstand O met het standvastigo getal a te vermenigvuldigen. Wij stellen ons voor dat die kracht door een of ander medium wordt uitgeoefend, en zoeken vooreerst het arbeidsvermogen van plaats bij een uitwijking g. Voor dat arbeidsvermogen mogen wjj den arbeid stellen, dien de kracht bij de beweging tot in den evenwichtsstand verricht; 0111 dezen te berekenen verdeelen w jj den afstand s in een groot aantal (n) gelijke deelen en redeneeren vooreerst alsof bij nadering tot O do kracht bij het doorloopen van elk deel de waarde behield, die zjj in het beginpunt van dut deel heeft. Do arbeid is dan

( _L " — 1 ' L 1 \S 1

I a s -f- a — s -f-. . . -t- c* -8 = 1+ ■ I.

V 1 n n J n 2 \ n /

De werkelijke arbeid, en dus do potentieele energie op den afstand s, is de limiet waartoe dit nadert voor n = », dus J a s2. Hieruit blijkt dat, wanneer wjj nu onder do grootheid die in het algemeen door rp werd voorgesteld, den afstand s verstaan, de coëfficiënt A do waarde a verkrijgt. Gemakkelijk ziet uien in dat Jl niet anders is dan de massa in van het stoffelijk punt. De vergelijking (11) gaat dus iu de formule (20) van § 102 ovor.

e. Op dezelfde wijze kan men den scliommeltijd bepalen voor een lichaam dat 0111 een vaste as kan draaien onder den invloed van een koppel in een vlak loodrecht op die as, en waarvan hot moment evenredig is aan do afwijking uit den evenwichtsstand. Verstaat men onder <p den afwijkingshoek en onder K <p het terugwerkende koppel, zoodat K een constante grootheid is, dan vindt men door een redeneering die geheel met het bovenstaande overeenkomt, als men het in § 165 gezegde in het oog houdt, voor hot arbeidsvermogen van plaats \ Kip2, zoodat thans A == K wordt. Do coëfficiënt li is liet traaghoidsmoment (J, en de schomuioltijd wordt bepaald door

r=2»y|

§ 188. Regeling van de beweging der uurwerken. Wanneer op <le raderen van oen uurwerk behalve de beweegkracht slechts de wrijving en de weerstand der lucht werkten, zou de snelheid zoo lang toenemen, tot de positieve arbeid van de beweegkracht juist werd opgeheven door den negatieven arbeid van de weerstanden (ij 18H). Door deze laatste groot genoeg te maken (windvleugels), zou men wel kunnen zorgen dat de eindsnelheid niet te groot wordt, maar zij /.ou bij elke vergrooting of verkleining van de weerstanden veranderen.

Men vermijdt dit door een heen- en weergaand stuk aan te brengen, dat bij elke schommeling het raderwerk voor een oogenblik doet stilstaan, en het dan weer den voortgang over

ƒ/&!