Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mate hij zich boven de eene of (ie andere helft van de staaf bevindt, en wel des te meer, naarmate hij dichter bij een van de polen gebracht wordt. Op dergelijke wijze keert op de noordelijke helft van het aardoppervlak de inclinatienaald zijn noorden op de zuidelijke helft zijn zuidpool naar beneden, en neemt de helling bij verwijdering van den aequator toe. De twee zoo even bedoelde helften van het aardoppervlak worden van elkaar gescheiden door een lijn waarlangs de inclinatie 0 is; deze lijn valt echter niet met den aequator samen en heeft een vrjj onregelmatigen loop.

§ 194. Grootte van (le aardmagneetkracht. In Fig. 173, in welke het vlak van de teekening met 1 den magnetischen meridiaan samenvalt,

stelt N a (of Z a') de kracht voor, waarmee het aardmagnetisme werkt op een der polen van een magneet N Z. Deze kracht is ontbonden in de verticale component Nb (of Zb') en de horizontale Nc (of Zc'). Is i de inclinatie, dan is klaarblijkelijk

Nc — Na cos i,

zoodat men, om de geheele kracht Na te teeren kennen, alleen de inclinatie en de horizontale kracht behoeft te meten.

Hoe groot de horizontale krachten zijn, die op de polen van een magneet werken, kan men afleiden uit den duur van de schommelingen, die hij kan uitvoeren als hij zoo aan een draad is opgehangen, dat hij alleen in een horizontaal vlak kan draaien. Is nl. (Fig. 174) NZ de evenwichtsstand van den magneet in den magnetischen meridiaan m ni, dan werken steeds, welken anderen stand hij ook heeft, op de polen de krachten N' A en Z B evenwijdig aan NZ. Van de krachten die in verticale richting, loodrecht op het vlak N 0 N' werken, kunnen wij afzien. Wanneer wij de grootte van N' A of Z' B door F, de lengte van den magneet door /, en den afwijkingshoek N O N' door <p voorstellen, wordt het moment van het koppel (N' A, Z' B)

Fls'mip (15)

jM

Sluiten