Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich, als een eerst aanwezige uitwendige druk wordt verminderd of opgeheven, zeer weinig uit. Uit een praktisch oogpunt mogen meestal deze stoffen als onsaniendrukbaar beschouwd worden. Een gasmassa daarentegen vertoont zeer groote volumeveranderingen; voor de uitzetting bij drukvermindering bestaat hier zelfs geen grens, zoodat een gas nooit zonder uitwendigen druk in een begrensd volume kan worden gehouden.

Overigens kan de druk niet alleen door het naar binnen dry ven van een zijwand, maar ook door andere uitwendige krachten worden veroorzaakt. De zwaartekracht drukt steeds de bovenste lagen tegen de onderste en vermindert de ruimte die deze laatste innemen

§ 201. Richting van <1t*n druk. De druk staat bij vloeistoffen en gassen loodrecht op het vlak waarop hij werkt. Dit geldt vooreerst van de krachten die tegen begrenzende wanden of ingedompelde vreemde lichamen worden uitgeoefend , maar ook van de wederkeerige krachten tusschen de deelen van de stof die door een willekeurig denkbeeldig oppervlak van elkaar gescheiden zijn. Tangentiale spanningen, zooals bij vaste lichamen (§ 1G8, c), bestaan, althans in stilstaande vloeistoffen, niet.

Nemen wij voor het zoo even bedoelde oppervlak een plat vlak V (Fig. 181); het deel I van het Fi 18l

lichaam oefent dan op het deel 11 een groot aantal evenwijdige krachten uit, zooals die in de figuur voor een deel a b van het vlak zijn voorgesteld. Natuurlijk ondervindt 1 van II gelijke en tegengestelde krachten.

Door de in de figuur aangewezen krachten

met elkaar samen te stellen, dus bij elkaar op te tellen, vindt men den „druk over het vlak a bDeze is evenredig met de uitgestrektheid van a b, zoolang overal langs V de stof in gelijke mate is samengedrukt; deelt men hem dan door de grootte van a b, dan vindt men den druk per vlakte-eenheid..

Verandert de toestand van punt tot punt, dan zullen op naast elkaar liggende gelijke deelen van het vlak V ongelijke

jioj.

Sluiten