Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlakte-eenheid aan weerszijden even groot was. In dat geval zou namelijk de vloeistof tegen den wand tusschen c en d denzelfden druk uitoefenen en dien dus ook van den wand ondervinden; dientengevolge zou de vloeistofmassa aan alle zijden aan een even grooten druk onderworpen zijn, wat geen resulteerende kracht oplevert.

Tot de gevolgtrekking dat de druk in het wijde gedeelte van de buis grooter is dan in het enge komt men ook, als de vloeistof zich van het eerste naar het laatste beweegt; men moet dan in aanmerking nemen dat de beweging versneld is.

Bevindt zich een eng gedeelte van de buis tusschen twee wijdere, of een wijd tusschen twee engere, dan kan men de redeneering tweemaal toepassen; in het eerste geval is de druk in de verenging kleiner dan aan weerszijden daarvan. Bij genoegzame snelheid van den vloeistofstroom kan aan een plaatselijke verenging de druk beneden dien van den dampkring dalen; is daar nu een zijbuis aangebracht, dan zal lucht uit deze laatste gezogen en door den waterstroom meegesleept worden. Er bestaan zoogenaamde water-luchtpompen die op dit beginsel berusten.

Daar de vloeistof beweging zich zoo regelt, dat door elke doorsnede van een buis dezelfde hoeveelheid stroomt, wat alleen mogelijk is bij de besproken drukverschillen, moeten deze van zelf ontstaan. In bijzonderheden aan te geven hoe dit gebeurt, is echter niet gemakkelijk.

Men vergelijke overigens de boven gebezigde redeneeringen met die van § 93.

De stelling- omtrent liet arbeidsvermogen maakt een berekening van de drukverschillen mogelijk. Wij beschouwen de geheele vloeistofmassa die tusschen de doorsneden a en b (Fig. 198) begrepen is. Xa een oneindig kleinen tjjd r ligt zij tusschen u en b'. Zjj pt de druk per vlakte-eenheid in a, p1 die in i; laat 6', en S2 de beide doorsneden, », en v„ de snelheden zijn, zoodat r, Sl — t', S„ is. De arbeid van den druk links is pl t>, St t, die van don druk rechts—P2t'2S2 r, en de druk dien de wand uitoefent, verricht geen arbeid, daar hij loodrecht op de bewegingsrichting staat. Het arbeidsvermogen van beweging moet dus met (pt—pt) vt t zijn toegenomen. N'u heeft voor en na den tjjd t de vloeistof tusschen u en h dezelfde kinetische energie, maar tot de massa die wjj beschouwden behoorde eerst liet volume

r

««

J

Sluiten