Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het andere deel door een tangentiale kracht had meegesleept.

W jj zagen in ij 213 dat wegens de inwendige wrijving een zeker drukverschil vereischt wordt 0111 een vloeistof of een gas door een enge buis te drijven. Mjj een gas kan men zich van hetgeen er in do buis plaats heeft, op de volgende wijze een voorstelling maken. De buiswand is ook zelf uit molekulen samengesteld en niet een verdichte gaslaag bedekt. In die laag komen onophoudelijk nieuwe deeltjes uit het binnenste van de buis, terwijl andere molekulen dc grenslaag verlaten. Al hebben nu de eerstgenoemde molekulen, behalve de warmtebeweging, een snelheid volgens de lengte der buis, zij zullen deze, in de wandlaag aangekomen, spoedig verliezen, en hun plaatsvervangers verlaten den wand zonder zulk een snelheid. Stroomde 1111 hot gas in het binnenste der buis voort, maar werd die strooming niet onderhouden, dan zou zij 11a eenigen tijd door deze uitwisseling van molekulen geheel zijn verdwenen. Zal een standvastige stroomsnelheid blijven bestaan, dan moet telkens aan nieuwe molekulen — die nl., welke uit de wandlaag afkomstig zijn, — een snelheid worden gegeven, en hiertoe is een voortdurend drukverschil noodig.

Daar do molekultiire snelheden bij temperatuur verhouding toenemen is liet begrijpelijk dat de uitwisseling van deeltjes door het vlak I' 111 l'ig. 202, of tusschen de wandlaag en het binnenste in een capillaire buis daardoor bevorderd wordt. Werkelijk loeren proeven over de doorstrooming dat de inwendige wrijving bij verwarming grooter wordt. Bij vloeistoffen is het tegendeel het geval.

De inwendige wrijving van de gassen doet zich, behalve bij de strooming door nauwe buizen, bij menig ander verschijnsel gevoelen (verg. § 214). Alle beirci/ini/eu in een t/atunusm worden erdoor gedempt. Zjj draagt er toe bij, den wind uit te putten en de geluidstrillingen te doen ophouden.

Het zal na het bovenstaande duidelijk zjj 11 dat do bestudeering van eenvoudige gevallen waarbij de inwendige wrijving in het spel is, tot een besluit kan leiden aangaande de lengte van den weg dien een molekuul gemiddeld tusschen twee op elkaar volgende botsingen doorloopt. Ook do warmtegeleiding kan voor de bepaling van dien weg dienen. De op deze wijze verkregen uitkomsten zijn zoowel met elkaar als met hetgeen men uit de

2t

klh.

Sluiten