Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdzakelijk bezig houden niet isotrope lichamen die aan geen uitwendige krachten zijn onderworpen.

Bij een verwarming nemen alle afmetingen van zulk een voorwerp in dezelfde verhouding toe, en de aangroeiing van een willekeurige lijn in het lichaam, of van het volume, mag evenredig aan de temperatuurverhooging gesteld worden. Bij afkoeling tot de oorspronkelijke temperatuur keert de begintoestand terug.

De breuk die aangeeft met welk gedeelte van de lengte die zij bij 0° heeft, een lijn in het lichaam toeneemt bij eiken graad temperatuurverhooging, wordt de „lineaire uitzettingscoefficienf' genoemd. Eveneens wordt door den -kub ie ken uitzettingseoèfficient" bepaald, met welk gedeelte van de waarde die het bij ()J heeft, hel volume voor et ken graad aangroeit.

Noemen wij deze coëfficiënten resp. « en /?, en stellen wij de lengte van een lijn in het lichaam bij 0° voor door t0 en bij t° door b, liet volume bij die temperaturen door "o 11,1 V'i dan is, zooals men gemakkelijk kan bewijzen,

lt = l0 (1 + a t) (7)

Vt = vü {l + pt) (8)

Tusschen de beide coëfficiënten bestaat een eenvoudig verband; de kubieke uitzettingseoèfficient is nl. het drievoud van den lineair en.

Daar nl. bij verwarming van 0° tot t° alle afmetingen \-\-at maal grooter worden, wordt het volume (1 -)-«tf maal grooter. Omdat (et zeer klein is, mag men hiervoor schrijven l-j-Ba t, zoodat = 3 a moet zijn.

Het is dus voldoende, een van de coëfficiënten te meten. Wat den lineairen uitzettingscoëfficient betreft, kan men dit doen door op een staaf of een gespannen draad twee fijne merken aan te brengen, den afstand daarvan te meten, wanneer het lichaam door smeltend ijs omringd is, en vervolgens de kleine verplaatsingen die de merken ondergaan, als het ijs door damp van kokend water wordt vervangen. De laatste bepaling kan met behulp van een paar aflezingsmicroscopen verricht worden.

jfety

Sluiten