Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daaruit dat b.v. bij oen druk van 1 mm kwik hot volume van het beschouwde gram waterdamp

760 X lj366 w |Qii 3

9 X 0,0000898 ~ ' A

is. Ging nu de wet van Boyle door, dan moest liet volume van den verzadigden waterdamp 760 maal kleiner zijn, d. w. z. 1690 cm3. Het is echter slechts 1650 cm3, d. w. z. bijna 2,5% kleiner.

Vergeleken met waterstof van dezelfde temperatuur en spanning, is dan ook de dichtheid van den verzadigden damp niet meer 9 maar 9,2.

In de figuur verraadt zicli de afwijking van de wet van Boyle door de gedaante van de lijn ,1 li. Bij hetzelfde punt ^4 beginnende zal dozo iets lager komen dan bij volkomen geldigheid van de wet het geval zou zijn.

De beschreven afwijking kan hieruit verklaard worden, dat naarmate de molekulen op kleinere afstanden van elkaar gebracht worden, de aantrekkende krachten, die naderhand de verdichting tot vloeistof zullen bewerken, meer en meer in het spel komen. Het kan ons niet verwonderen, dat deze krachten het volume kleiner doen werden dan het bij denzelfden druk zijn zou, wanneer zij niet bestonden.

Drukt men, nadat do damp eenmaal verzadigd is geworden, den zuiger nog verder naar beneden, dan heeft een verdichting tot vloeistof plaats, die geleidelijk voortgaat, tot dat bij een bepaald volume alle damp verdwenen is. Gedurende dit gedeelte van de samendrukking heeft do nog aanwezige damp aanhoudend dezelfde dichtheid; daar ook de spanning constant blijft, volgt op A li een rechte lijn Ji C, evenwijdig aan de as der abscissen. Het uiteinde C van dit stuk ligt op een afstand van OP, 1600 maal kleiner dan li C; alleen door dien afstand sterk vergroot voor te stellen konden wij in de figuur den verderen loop van de lijn volgens CD doen zien. Dit laatste gedeelte stelt de volumeverandering voor, die het vloeibare water nog ondergaan kan; wegens de geringe samendrukbaarheid loopt CD zeer steil naar boven.

jlf

Sluiten