Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c. De ijzcrdraad of de draden tusschen welke een vlies gevormd wordt, kunnen zulk een vorm hebben dat het vlies niet plat kan zijn; steeds neemt het echter, wanneer aan weerszijden het omringende (jas denzelfden druk uitoefent, de gedaante aan, waarbij het oppervlak zoo klein mogelijk is. Bij een verplaatsing verrichten nl. de bedoelde drukkingen geen arbeid; de vrije energie die in de vorige § beschouwd werd, moet dus weer een minimum worden.

Is het vlies b.v. gevormd tusschen twee even groote horizontale cirkelvormige ringen, met de middelpunten boven elkaar, dan neemt het niet de gedaante van een cilinder aan, omdat door een insnoering in het midden het oppervlak nog kleiner kan worden.

Het verdient opmerking dat de grootheid S niet alleen do kracht bepaalt, met welke het vlies aan den ijzerdraad e f (Fig. 228) trekt, maar ook de kracht die het op elk lichaam uitoefent, waarmee het in aanraking is, en eveneens die, met welke het eene deel van het vlies op het andere werkt. Men kan n.1. iti gedachten het vlies langs een willekeurige lijn doorsnijden; wat aan de eene zijde van de scheidingslijn ligt trekt aan het andere deel, in de richting loodrecht op die lijn, en deze werking bedraagt per lengte-eenheid <S'.

Daar deze kïacht voortvloeit uit werkingen op zeer kleine afstanden en men een klein gedeelte van een gebogen vlies als plat kan beschouwen, bestaat in een gebogen vlies dezelfde sjianning als in een plat.

d. Bij een bolvormig vlies, zooals een aan een buis geblazen zeepbel, vertoont zich de spanning hierdoor dat de bel, wanneer de buis aan het uiteinde open blijft, langzamerhand kleiner wordt. Sluit men de buis, dan houdt de samentrekking op wanneer de lucht binnen de bel tot op zekeren graad is samengedrukt.

In do theorie van dit verschijnsel moet men letten op liet drukverschil aan do binnen- en buitenzijde. Men kun daar evenwel nog van afzien, wanneer men vormveranderingen (overgang b.v. van oen ellipsoïde tot oen bol) beschouwt, bij welke het volume niet verandert. Immers, do arbeid van de uitwendige drukkingen is dun 0 (ij 207). Omler alle vormen van tienzelfden inhoud zal de zeepbel dus dien aannemen, bij welken het oppervlak een minimum is, d. w.z. den bolvorm.

Zjj nu 7? (ie straal van den bol en laat de druk binnen het vlies p meer

ƒ$</

Sluiten