Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jtes

Men kan aantooncn, dat voor allo elementen van liet seheidinggvlak die tnssohen p en q liggen, de drnk die, zooals wij zagen, binnen in het vlies ontstaat, juist de attractie tussohen de vloeistof aan weerszijden van die elementen opheft; maar met een element van Pp of Qq is het anders gesteld. Zoowel de druk als de attractie zijn daar kleiner dan tusschen p en q, maar van p naar P of van q naar Q neemt de druk meer af dan de aantrekking; voor een element van Pp onmiddellijk bij P is de druk gelijk aan dien van de buitenlucht, waarvan wij bij deze besohouwing afzien, maar tusschen de stof rechts en links van dit element bestaat nog oen zeer merkbare aantrekking.

Door dit alles komt men tot het besluit dat alleen de elementen tusschen P en p en tusschen Q en q iets voor de bovengenoemde resultecrendc kracht opleveren. Men moet de spanning in de twee grenslagen zoeken en mag besluiten dat de grootte ran deze kracht onafhankelijk is van de dikte rail de tusschen die lagen liggende vloeistof.

Eerst wanneer de dikte van oen vlies beneden 2 p daalde, zou de spanning kleiner worden. De zeepbellen bij welke men gevonden heeft dat p omgekeerd evenredig is met ij, hadden dus alle een dikte, grooter dan 2 q.

Het zal nu ook duidelijk zijn dat bij elke vloeistofmassa een spanning in do grenslaag (oppervlaktespanning) bestaat en dat die half zoo groot is als do spanning van een vlies.

Voor dc in deze § besproken proeven bezigt men bij voorkeur een vloeistof (b.v. een mengsel van een zeepoplossing en glycerine), die vliezen van groote bestendigheid geeft. Ook allerlei andere vloeistoffen kunnen echter vliezen vormen. Bekend zijn b.v. de bellen die door de meegevoerde lucht ontstaan, wanneer regendruppels in water vallen.

Bij schuimende vloeistoffen heeft men gelegenheid, stelsels van een groot aantal vliezen waar te nemen, zooals men die ook met behulp van een zeepoplossing en geschikte ijzerdraadfiguren in meer eenvoudigen vorm kan krijgen.

I11 ieder stelsel van dezen aard ontmoeten telkens drie vliezen elkaar aan dezelfde ribbe en wel onder hoeken van 120°. Dit laatste is een gevolg biervan, dat elk vlies dezelfde spanning heeft. Op de kleine vloeistofmassa nl., die in de onmiddellijke nabijheid van een element der ribbe ligt, werken drie spanningen in de richting van de lijnen volgens welke do vliezen door het standvlak gesneden worden. Drie geljjke krachten, op oen zolfde punt werkende, kunnen echter alleen dan evenwicht met elkaar maken, wanneer zjj hoeken van 120° met elkaar vormen.

§ 285. Vrije energie van liet grensvlak van een vloeistof en een vast lichaam. In het bovenstaande was alleen sprake

Sluiten