Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fr

worden afgekoeld zonder dat het bevriest, of, zooals men zegt, in een toestand van oversmelting verkeeren. Het kan ecliter bij die lage temperaturen niet bestaan in tegenwoordigheid van ijs; hot kleinste stukje ijs dat men er in werpt, doet een deel van' de vloeistof bevriezen, waarbij door de vrij wordende warmte de temperatuur juist tot 0° stijgt, den eenigen warmtegraad bij welken (onder den gewonen dampkringsdruk) ijs en water naast elkaar kunnen bestaan.

Uit dit voorbeeld blijkt, evenals uit do voorgaande, hoe het eerste verschijnen van een nieuwe phase geheel andere omstandigheden vereischt dan het aangroeien van een reeds aanwezige hoeveelheid daarvan. In water van — 5° zal een stukje ijs stellig aangroeien, maar daarom zal er nog niet een ijskristalletje in ontstaan. Welke voorwaarden voor dit laatste noodig zijn is ons niet geheel bekend; wel is het gebleken dat men het water het best, zonder «lat het bevriest, beneden 0° kan afkoelen als men het voor plotselinge beweging vrijwaart. Trouwens, bij een beweging kan de vloeistof licht met een ijskristalletje dat zich boven den waterspiegel aan den wand van het vat gevormd heeft, in aanraking komen.

Met het water heneden 0° kan men vergelijken een zoogenaamde oververzadigde oplossing van een vaste stof, d. w. z. een oplossing die sterker is dan die, welke met de vaste stof in evenwicht kan zijn. Pusschen deze beide oplossingen en een nog meer verdunde, een onverzadigde, bestaat, wat de oplossing op zich zelf betreft, geen wezenlijk onderscheid; zij gedragen zich alleeu verschillend als zij met de vaste stof in aanraking komen. De kleinste hoeveelheid daarvan heeft een afscheiding van het vaste lichaam uit een oververzadigde oplossing ten gevolge.

§ 293. Imbibitie en osmose. Wij zullen nu ten slotte eenige eigenschappen van oplossingen en vooral van verdunde oplossingen bepreken. Om de daaromtrent verkregen, in vele opzichten belangrijke uitkomsten te begrijpen, is het noodig, met een merkwaardige eigenschap van sommige vaste lichamen bekend te zijn. Yele daarvan zijn poreus, d. w. z. van fijne kanaaltjes voorzien, waarin zij een vloeistof kunnen opzuigen, een gevolg van de uitspreiding der vloeistof over de wanden van de poriën en vergelijkbaar met de opstijging in capillaire buizen. Maar

Sluiten