is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginselen der natuurkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de derde hypothese, wanneer het noodig is, deze ter verklaring van het bedrag van den osmotischen druk in te voeren.

Dat verder deze druk door de botsingen van de deeltjes der opgeloste stof wordt veroorzaakt, kan wel is waar bezwaarlijk in het algemeen worden aangenomen, maar zou toch waar zijn bij een wand van een bijzondere structuur. Men kan zich lil. een uiterst dunne vaste schijf verbeelden met zoo vele openingen, of liever met zoo weinig vaste stof daartusschen, dat hij elk watermolekuul doorlaat, maar aan de deeltjes van de opgeloste stof (hetzij omdat die te groot zjjn, hetzij omdat de wand ze op een afstand afstoot) den doorgang verspert. Tegen zulk een wand zou het water in het geheel niet drukken. De deeltjes van de opgeloste stof daarentegen zouden er tegen botsen en men kan aantoonen dat zjj daardoor een druk zouden uitoefenen, die op dezelfde wijze als de spanning van een gas van de kinetische energie iler molekulen afhangt.

In werkelijk voorkomende gevallen is allicht het mechanisme geheel anders. Het is mogelijk dat de wederkeerige aantrekking tusschen de molekulen van het water en van de opgeloste stof de hoofdrol spoelt. Deze kan eensdeels de deeltjes van de opgeloste stof uit de grenslaag naar het binnenste trekken en hen aldus beletten bij den vasten wand te komen; aan den anderen kant kan de aantrekking ten gevolge hebben dat het water, aangetrokken door de opgeloste stof, zoo lang naar de zijde gedreven wordt waar deze zich bevindt, tot een drukverschil van bepaalde grootte ontstaan is. Onder zekere vereenvoudigende onderstellingen kan men ook nu alles berekenen; men vindt dan weer dat de osmotische druk ten slotte bepaald wordt dooide molekulaire snelheid van de opgeloste stof. Trouwens, wanneer de stelsels molekulen van dien aard zijn, dat er van zelf een evenwichtstoestand ontstaat, moet de grootte van den osmotischen druk bij eiken halfdoordringbaren wand dezelfde zijn (ij 294).

Alles samengenomen mogen wij wel in de wet van van 't Hofk het bewijs zien dat de gemiddelde l'itiefisehe. enen/ie ran een deeltje, eener opgeloste stof eren groot is rils die ran een gasmolekuul hij dezelfde temperatuur.

Het wordt op deze wijze mogelijk, voor elke opgeloste stof de gemiddelde snelheid van de molekulen te berekenen en verschijn-