Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toeneemt, keert dezelfde ordinaat terug; de kromme lijn bestaat dus weer uit een aantal op elkander volgende gelijke deelen; alleen hebben deze eene minder eenvoudige gedaante dan in Fig. 24 en 25.

De lijnen die periodieke functiën voorstellen, heeten golflijnen. Die, welke in Fig. 24 en 25 voorkomen, worden enkelvoudige golflijnen of sinvsoïdes genoemd.

§ 22. Figuren in (le ruimte. Projectiën. Coördinaten. Voorwerpen of figuren in de ruimte kunnen in eene perspectivische teekening worden afgebeeld. In vele gevallen verdient echter het teekenen eener projecüe de voorkeur.

Het vlak waarop men projecteert, wordt menigmaal horizontaal gekozen; men spreekt dan van de horizontale projecüe. Deze geeft de figuur in de ruimte weer, zooals zij zich vertoonen zou voor een waarnemer die op grooten afstand erboven geplaatst was.

Voor de bepaling van de ligging der figuur is natuurlijk de projectie niet voldoende; men moet bovendien aangeven hoe hoog elk punt boven het projectievlak ligt.

Men kan dit doen door bij de projectie van elk punt een getal te schrijven, dat deze hoogte voorstelt. Een ander middel bezigt men in de beschrijvende meetkunde; het bestaat hierin dat men nog eene tweede projectie teekent, en wel op een vlak dat loodrecht staat op het eerst gekozen projectievlak.

Men kan verder de ligging van punten in de ruimte bepalen door hunne coördinaten.

In Fig. 27 zijn O X, O Y, O Z drie vaste onderling loodrechte lijnen; uit een willekeurig punt P zijn de loodlijuen PA, PB, PO op de vlakken YOZ, Z O X, X O Y neergelaten. Door de lengte dezer loodlijnen is de ligging van P bepaald, althans wanneer men bovendien weet, aan welke zijde van elk der genoemde vlakken het punt zich bevindt, dus in welken der acht door de vlakken gevormde drievlakkenhoeken het ligt.

Fig. 27.

Sluiten