Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt met zijn beginpunt geplaatst in het eindpunt van den eersten, de derde vervolgens met zijn beginpunt in het eindpunt van den tweeden, enz. Eindelijk wordt het beginpunt van den eersten vector met het eindpunt van den laatsten vereenigd.

In Fig. 33 is A E de resultante der vectoren A B, B C, CD,

D E. Deze figuur behoeft niet in een plat vlak te liggen.

Men kan den regel voor bet samenstellen ook zoo uitdrukken: Nadat de tweede vector met den eersten is samengesteld, wordt de resultante A C (in de figuur niet getrokken) samengesteld met den derden vector CD; de resultante AD, die men dan krijgt, wordt samen¬

gesteld met den vierden vector en zoo vervolgens.

Waren al de vectoren die men moet samenstellen met hunne beginpunten in hetzelfde punt geplaatst, dan zou voor eiken stap in deze constructie een nieuw parallelogram van vectoren kunnen dienen.

Zijn een willekeurig aantal vectoren evenwijdig aan eene zelfde rechte lijn, dan is de resultante gelijk aan de algebraïsche som der componenten.

Bij het samenstellen van eenige vectoren is de uitkomst altijd

onafhankelijk: van de voJgorae, waarin zij met elkander worden vereenigd. In Fig. 34 b.v., die weer niet in een plat vlak behoeft te liggen, krijgt men A D, als men eerst A B met den tweeden vector B E en dan de resultante met den derden vector E D samenstelt. Beschrijft men nu op BE en E D als zijden een parallelogram, dan is B C gelijk aan den

derden vector ED, en C D aan den tweeden

B E. Hieruit blijkt dat men A D ook krijgt als men A B eerst met den derden vector samenstelt, en de resultante A C met den tweeden.

Sluiten