Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweede stift, die de lijn L2 teekent, en die verticaal beneden de eerste staat, bij p en g bet begin en bet einde van een tijdsverloop geregistreerd, dan kan men, door naderhand verticale lijnen door p en q te trekken, den duur van dat tijdsverloop op L, aflezen. Daarbij kunnen ook onderdeelen van een seconde worden bepaald, wanneer men onderstelt dat gedurende een seconde de beweging van den cilinder gelijkmatig is geweest. In de figuur is het tijdsverloop 8,3 seconden.

b. Men kan het aantal trillingen per seconde van een stemvork bepalen, als men beneden de stift die de trillingen daarvan opschrijft een tweede plaatst, die met bekende tusschenpoozen merken, zooals die bij p en q in Fig. 61, of andere teekens op den cilinder maakt.

c. Korte tijden kunnen worden gemeten, wanneer men over een stemvork beschikt, die een bekend aantal trillingen per seconde uitvoert. In Fig. 62 wordt door a b de duur van een te onderzoeken verschijnsel voorgesteld, terwijl de bovenste lijn

bij de stemvork behoort, die als tijdmeter dient. De twee schrijfstiften moeten liefst weer op dezelfde verticale lijn staan. De door a h aangewezen tijd bedraagt dan 4,8 trillingstijden.

Was de onderste schrijfstift ook met een trillend lichaam verbonden, dan zou men den trillingstijd daarvan kunnen vinden door na te gaan hoeveel golven door de twee stiften in denzelfden tijd worden beschreven.

d. Een wijziging dezer methode bestaat hierin, dat men op de oogenblikken tusschen welke men het tijdsverloop wil beFie 63 palen, uit de stift zelf, die

springen. Men krijgt dan een teekening, zooals in Fig. 63 is aangegeven.

Fig. 62.

met een bekende periode trilt, een electrische vonk op den cilinder laat over-

Sluiten