Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat het meten der versnelling bij den vrijen val betreft, merken wij op dat de nauwkeurigste uitkomsten zijn verkregen, niet door rechtstreeksche waarneming van een vallend lichaam, maar op een wijze die wij later zullen leeren kennen.

Daar alle lichamen even snel vallen, is g voor alle even groot. Men heeft evenwel bevonden dat de versnelling aan verschillende punten van het oppervlak der aarde ongelijke waarden heeft. Naarmate men de polen nadert vallen de lichamen sneller, en wordt dus g grooter. Ziehier eenige der voor g verkregen uitkomsten; als eenheden van lengte en tijd zijn daarbij de centimeter en de seconde gebezigd.

- Het derde der opgegeven getallen is de gemiddelde waarde van g in Nederland; de uiterste waarden wijken daarvan niet meer dan 0,1 af.

§ 64. Verticaal opgeworpen lichaam. De waarneming heeft geleerd, zooals reeds in § 48 vermeld wérd, dat de eerst stijgende en dan dalende beweging van zulk een lichaam de eigenaardigheid vertoont, die wij in Fig. 42 (p. 67) uitdrukten. Men kan daaruit het volgende afleiden.

a. De snelheid van het lichaam is even groot op twee oogenblikken die even veel voor en na het tijdstip liggen, waarop de beweging wordt omgekeerd. De weg b.v., die in Fig. 42 tusschen de tijden 1 en 1,U001 wordt afgelegd, is dezelfde als die, welke tusschen de tijden 6,9999 en 7 wordt doorloopen.

b. Daar bij het dalen de snelheid in elke seconde met g toeneemt, moet zij gedurende het opstijgen in elke seconde met g afnemen. Zoo is b.v. in Fig. 42 het verschil tusschen de snelheden op de oogenblikken 1 en 2 hetzelfde als dat tusschen de snelheden op de oogenblikken 7 en 6.

Omdat bij een verticaal opstijgend lichaam gedurende

Breedte Versnelling bij den val

0° 978,1

45° 980,6

V52° 981,2

^ 90° 983,1.

Sluiten