Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blikken die met tusschentijden = 1 op elkaar volgen, oogenblikken dus, die wij met 0, 1, 2, 3 kunnen aanduiden. Wij

neer men A' A" = A" A'" = A A

maakt. De lijn zelf, die evenwijdig aan zich zelf voortgaat, heeft achtereenvolgens de standen A M', AM, AM.

Terwijl het voorwerp op den tijd 0 in het punt A der ruimte is, bevindt het zich op den tijd 1 in het punt van A M', waar B gekomen is, dus in het punt B' dat men krijgt, door uit B eene lijn evenwijdig aan AL te trekken; immers alle punten van A M verplaatsen zich in dezelfde richting. De figuur doet zien hoe op dezelfde wijze de ware plaatsen C" en D " van het punt op de oogenblikken 2 en 3 worden gevonden. Men ziet nu gemakkelijk dat A, B', C", D' op een rechte lijn liggen; dat deze werkelijk de ware baan van het voorwerp is, wordt bevestigd door de beschouwing van zijn stand op tijden die tusschen de oogenblikken 0 en 1, 1 en 2, enz. liggen. Verder is A B'= B'C" = C" B " en daar dit ook het geval zou zijn, wanneer A B, B C, enz., A A, A' A", enz. niet de wegen in tijdseenheden, maar in willekeurige gelijke tijdsdeelen voorstelden, is de volstrekte beweging van het voorwerp gelijkmatig.

De snelheid van die beweging is AB'; het blijkt dat men deze snelheid kan vinden door de snelheid A A van het platte vlak en de snelheid AB, die het lichaam ten opzichte van dit laatste heeft, met elkaar samen te stellen volgens den regel dien wij in § 27 voor de samenstelling van vectoren gegeven hebben.

moeten nu op de verplaatsing der lijn zelf bij de verschuiving van het platte vlak letten; wij ondersteilen dat deze verschuiving in de richting A L met de snelheid A A' gebeurt. Heeft de lijn den stand A M op den tijd O, dan worden de standen van A op de oogenblikken 1, 2, 3 voorgesteld door A', A", A'", wan-

Sluiten