Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bovengenoemde proeven met spiraalveeren geven nog aanleiding tot een paar opmerkingen.

In de eerste plaats kan men de veer in omgekeerden stand gebruiken, zoodat het uiteinde waaraan men eerst met de hand trok, aan het lichaam wordt bevestigd. Als dan aan de veer zoo sterk wordt getrokken, dat hij evenveel wordt uitgerekt als de eerste maal, is ook de uitwerking op het lichaam waaraan hij is vastgemaakt weer dezelfde. De veer trekt dus aan dit lichaam even sterk als bij de eerste proef, zoodat wij mogen besluiten dat een uitgerekte veer (en hetzelfde geldt van een uitgerekten draad) zich naar weerszijden met dezelfde kracht tracht samen te trekken.

Verder bedenken wij dat, wanneer wij een kracht F (Fig. 73) laten werken op het uiteinde B der veer A B, die aan een onbewegelijk lichaam A is vastgemaakt, het gedeelte B der veer aan twee tegengestelde krachten onderworpen is. Naar de linkerzijde ondervindt het nl. de spanning der veer zelf. Is er evenwicht gekomen, d. w. z. is de veer zoo ver uitgerekt als de kracht F het kan doen, dan moeten de twee krachten aan elkander gelijk zijn. Derhalve: de spanning van een veer die door een zekere kracht wordt uitgerekt, is gelijk aan die kracht.

Met deze aan de kracht F gelijke spanning werkt nu echter de spiraalveer ook op het lichaam A, m. a. w.: de kracht F wordt in onveranderde grootte overgebracht op het lichaam waaraan de veer is vastgemaakt.

Wij kunnen ons van dit laatste nog overtuigen door een proef, waarbij twee veeren AB en BC worden gebezigd,

zooals men in Fig. 74 ziet. Wij onderstellen dat daarbij de veer B C gelijk is aan A B in

Fig. 73. Oefent men nu in de beide gevallen van Fig. 73 en Fig. 74 gelijke krachten F uit, wat men daaraan kan zien dat de veer A B in het eerste geval even ver is uitgerekt als de veer B C in het tweede, dan is ook de uitwerking op het lichaam A in beide gevallen dezelfde. De in Fig. 74 in-

Sluiten