is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginselen der natuurkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duidelijk dat de beide in § 82 genoemde opvattingen niet met elkaar in strijd zijn.

§ 85. Invloed van de hoeveelheid stof die in beweging gebracht moet worden. Een tweede niet minder belangrijke wet is de volgende:

II. Wanneer een zelfde kracht, steeds zonder in richting of grootte te veranderen, achtereenvolgens op verschillende lichamen werkt, is de snelheid die deze in de tijdseenheid krijgen omgekeerd evenredig met de hoeveelheid stof die zij bevatten.

Bestaan de lichamen die men met elkaar vergelijkt, uit dezelfde zelfstandigheid, b.v. beide uit koper, dan is de hoeveelheid stof die zij bevatten klaarblijkelijk evenredig met het volume, en, daar elke c.M3 even veel weegt, ook met het gewicht. Voor zulke lichamen kan de tweede wet uit de eerste worden afgeleid, als men nog de omstandigheid in aanmerking neemt, dat alle lichamen even snel vallen. Nemen wij b.v. aan dat het eene stuk koper tweemaal zoo groot is als het andere: laat K en 2 K de gewichten voorstellen. Door deze krachten krijgen dan beide stukken, als wij ze laten vallen, in de seconde de snelheid g. Laat thans echter op het groote stuk een kracht werken, die = K, dus slechts gelijk aan de helft van het gewicht is, laat b.v. dat stuk over een glad horizontaal vlak met de kracht K worden voortgetrokken. Dan zal volgens de eerste wet in de tijdseenheid een snelheid ! g worden verkregen. Een kracht K derhalve, die aan het kleine stuk de snelheid g meedeelt, geeft aan het groote slechts de snelheid ! g.

Werken op beide stukken krachten = F, dan is de snelheid die het kleine in de seconde verkrijgt volgens de eerste wet

F

K 9'

en die, welke het groote stuk ontvangt,

F „

2 K

waarden, die weer aan de tweede wet voldoen.