Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in dit geval in achtereenvolgende tijdsdeelen ontvangen, ra. a. w. de snelheidsverminderingen, zijn weer omgekeerd evenredig met de massa.

Wanneer de magneet van § 76 door een draaiende beweging in een horizontaal vlak uit zijn evenwichtsstand wordt verplaatst, en dan wordt los gelaten, neemt hij een versnelde beweging naar den evenwichtsstand aan. Hij overschrijdt dezen stand, en heeft, zoodra dit gebeurd is, daar hij steeds aan krachten onderworpen is, die hem in den magnetischen meridiaan trachten te plaatsen, een vertraagde beweging. Na eenigen tijd is de snelheid uitgeput; de magneet keert naar den evenwichtsstand terug, en gaat daar op nieuw door heen; kortom, hij schommelt over een zekeren hoek heen en weer.

Daarbij wordt aan den overgang uit een der uiterste standen naar den evenwichtsstand even veel tijd besteed als aan de beweging van den evenwichtsstand tot een der uiterste standen. Verder blijkt het dat, zoolang de hoeken van afwijking niet te groot zijn, groote en kleine schommelingen in denzelfden tijd worden volbracht. Wij komen hierop later terug, maar wijzen er nu in het bijzonder op dat de schommelingen langzamer worden, wanneer men den magneet met een paar gelijke stukken koper, even ver aan weerszijden van het midden, belast.

Daar een draaibare staaf koper zich niet in den magnetischen meridiaan stelt, moet men aannemen dat bij deze proef geen krachten die van invloed op de beweging zijn, op de stukken koper werken. De vergrooting van den schommeltijd kan alleen door de vermeerdering van de massa der staaf teweeggebracht zijn.

Dat werkelijk deze vermeerdering zulk een uitwerking moet hebben, ziet men gemakkelijk in als men zich voorstelt dat twee gelijke magneten, waarvan de eerste niet, en de tweede wel met stukken koper bezwaard is, zoo gedraaid worden, dat zij even groote hoeken met den evenwichtsstand maken, en dat zij dan tegelijk worden losgelaten. Daar de werkende krachten bij beide dezelfde zijn, moet dan de tweede

Sluiten